dinsdag 30 juni 2026

Ze noemden hem Zwachtel. (slot)






Een politieagent hief het cordon omhoog. 
Alain en Serge bukten zich en liepen dan verder tot de plek waar een lichaam onder een wit laken lag.
“Denk dat we niet meer moeten zoeken naar Zwachtel,” zei Commissaris Van Herp van de gemeentepolitie. “Deze jongen vond hem deze morgen toen hij met de fiets op terugweg was van een fuif in het nabijgelegen dorp. Hij lag op zijn buik in de gracht met zijn gezicht in het water. Hij hield een zak vast met daarin koude frieten en de nodige frituurgerechten. Hij ging vast frieten halen in het naburige dorp.”
Alain knielde bij het stoffelijk overschot van Zwachtel. Dan viel zijn oog op iets dat in zijn broekzak zat. Hij haalde het eruit, Het was een blad papier. Hij opende het, bekeek de inhoud om het dan te plooien en in de binnenzak van zijn jas te steken.
“C’est clair hein,” zei Dr Duchéne. “Het is zo klaar als een klontje. Duw gekregen, gestruikeld en bij zijn val zijn nek gebroken. Viel met zijn hoofd in het water maar geen sporen van verdrinking, de dood moet dus al ingetreden zijn voor zijn val. Hij heeft er vast niks van gemerkt.
Hij ligt hier zeker al sinds eergisteren,” besloot Dr Duchéne.”
“Dan stierf hij dezelfde nacht als Tatjana,” bedacht Alain zich.
Dan bewoog Dr Duchéne het levenloze lichaam van de jongeman die in het dorp Zwachtel werd genoemd. Schouder uit de kom, heup gebroken, zei hij. “Hij moet met iets in aanraking gekomen zijn? Een aanrijding misschien?”
“Vluchtmisdrijf,” mompelde Alain.
“Zou kunnen. Het is verleidelijk hé. Onverlichte weg op het platteland. Niemand die het ziet als je met teveel promille op een voetganger van de weg maait.”
“Chef, kijk hier,” riep Serge. “Het glas van een autolicht.”
“Interessant,” zei Alain. “Stukken verzamelen voor het labo.”
Dan richtte hij zijn blik weer op het ontzielde lichaam van Zwachtel. “Arme jongen,” dacht hij bij zichzelf. “Hij wilde graag een nieuw leven beginnen na zijn onterechte beschuldiging van verkrachting. En dan gebeurt dit.”
Het lichaam werd geborgen en Alain en Serge besloten om een kijkje te nemen bij Huize Rozenrood. Terstond gaf hij opdracht aan de mensen van de gemeentepolitie om de verzegeling op te breken. Terwijl dat gebeurde arriveerde Ludwig Hesters met zijn Porsche. “Dat werd tijd hé Hoofdinspecteur,” zei hij vol arrogantie.
“Wij werken in het belang van het onderzoek Meneer Hesters. Maar wacht eens, wat is er met uw auto gebeurd?” vroeg Alain ineens toen hij zag dat het glas van zijn rechter voorlicht ontbrak.
“Brussels racaille,” zei hij. “Deze nacht één keer mijn auto laten buitenstaan, en dat in mijn straat in Ukkel. En kijk, dit is het resultaat. Mooi hé, die zogenaamde ‘multiculturele samenleving’.” Foeterde hij.
“Dat is toevallig,” zei Alain terwijl hij langs de auto liep. “Dat is heel toevallig.
Weet je wie er zonet dood werd aangetroffen in een gracht hier wat verderop?”
“Tu rigoler,” zei Ludwig. “Je maakt een grapje.”
“Nee, helemaal niet. Zwachtel werd deze ochtend dood aangetroffen in de gracht. Hij liep kennelijk in de richting van het dorp. Op weg naar zijn caravan, na een nachtje? Ja wat ging hij doen zo laat in de nacht? Weet jij het?”
“Dit pik ik niet. Ik neem nu contact op met mijn advocaat,” zei Ludwig.”
“Dat lijkt mij wel het beste ja,” zei Alain. “Want ik vind het wel heel vreemd dat er net bij jou schade is aan je voorlicht. Oh nog dit. Volgens de lijkschouwer trad de dood eergisterennacht in. Niet zo lang nadat Tatjana werd vermoord. Ik stel voor dat jij en je zus zich deze middag aanmelden op het kantoor van de Gerechtelijke Politie in Brussel.
Voor een goed gesprek onder zes ogen.”

Op het hoofdkantoor van de Gerechtelijke Politie werden Ludwig en Caroline de ondervragingsruimte binnengeleid waar Alain en Serge hen zaten op te wachten.
Alain bleef stug op zijn stoel zitten terwijl Serge hen onthaalde en hun plaatsen aanwees.
Ook hun advocaat was aanwezig. Een jonge opkomende pleiter genaamd Karel Vermeersch.
“Bon, vertel het nekeer,” zei Alain. “Wat is er gebeurd met het rechter voorlicht van je blitse Porsche Carrera?”
“Dat zei ik toch al. Een nachtje laten buitenstaan en daar waren ze al, het racaille, het straattuig.”
“Leugens!” zei Alain. “Jij hebt je Porsche niet laten buitenstaan. Je hebt ermee gereden. En je hebt iemand aangereden en daarna vluchtmisdrijf gepleegd. Hier zijn de scherven die we op het plaats delict hebben aangetroffen. En raadt eens? Ze passen perfect op het achterlicht van je auto. De mensen van de technische recherche hebben dat heel goed uitgepuzzeld en weet je? Het zijn passionele autoliefhebbers. Zodanig dat ze direct zagen dat dit het voorlicht was van een Porsche.
Dus ik herhaal mijn vraag. Wat is er gebeurd met het rechter voorlicht van je blitse Porsche Carrera?”
“Het was een ongeluk,” zei Ludwig.
“Nee Ludwig. Dat is het niet!
Daarvoor wilde je Zwachtel veel te graag weg van het domein van je vader. Dat was ons al snel duidelijk toen zijn naam ter sprake kwam.”
“HET WAS EEN ONGELUK!” herhaalde Ludwig.
Dan keek hij zijn zus aan. “We kunnen maar beter bekennen meid. Is toch waar hé meester,” vroeg hij toen hij ook naar Meester Vermeersch keek. Die knikte en nam zijn pen en trok zijn notaboekje wat dichter.
“Ik werd gebeld door Caroline. ‘Ik ben bij Papa, en ik heb iets stoms gedaan,’ zei ze. Ik kon al raden wat het was. Dit moest gewoon gebeuren. Dus verliet ik de bar waar ik samen met enkele vrienden aan het poolen was en waar ik drie whisky’s had gedronken en reedt zo snel ik kon naar Dorrenaken. Dan toen ik bijna ter bestemming was pakte ik nogal ruim mijn bocht en dan hoorde ik een doffe knal. Ik ging in de remmen staan, stapte uit en liep een paar meter terug. Daar zag ik hem liggen. Ik herkende hem meteen. Het was Zwachtel.
En het gebeurde wel meer dat hij meerdere nachten na elkaar wegbleef. Waar naartoe? Dat wist niemand. Dus ik dacht dat niemand hem zou missen, ik moest alleen nog de kans krijgen om mijn voorlicht te laten herstellen, en dat kreeg ik niet.”
“En dan maakte je je tweede fout. Je reedt vrolijk rond met je auto met beschadigd voorlicht.
Jij denkt echt dat niemand je niets kan maken hé. Hé Ludwig Hesters.
Jij denkt dat je met een stel uilen te doen hebt!
“Ik had gewoon niet gedacht dat ze die parasiet zo snel zouden vinden. Zo diep in die gracht waar hij lag met zijn lelijke kop in het water, onbeweeglijk. Meer moest ik niet hebben.
Niemand zou die mislukkeling missen.”

En jij, waarom belde jij midden in de nacht je broer op. Wat deed jij eigenlijk in het huis van je vader, terwijl je bij je moeder woonde,” vroeg Alain aan Caroline die een sliert haar rond haar vinger draaide.
Caroline zweeg en keek voor zich uit.
“Is dat antwoord nog voor vandaag Caroline?” vroeg Alain.
“Ik was uit geweest,” zei Caroline. “En het was al laat. En moeder hoort alles dus ik was bang dat er wat zwaaide als ik thuis zou komen. Dus ging ik naar het huis van mijn vader om daar in mijn vroegere kamer te slapen. Ik kwam binnen en ik hoorde gegiechel en ander lawaai. En de lichten waren nog aan het branden bij het zwembad. Dan zag ik die teef van een Tatjana, naakt.
Ze was aan het stoeien met die zwachtel.”
“Ah nee, dat kon niet zijn hé!” zei Alain.
Dan ineens hoorde ik geroep, en getier en jammerlijk gehuil. Ik ging kijken, ik daalde de trap af en liep de tuin in. Dan zag ik Zwachtel weglopen met zijn kleren onder zijn arm. En toen kwam ik bij het zwembad en dan zag ik Tatjana daar liggen op de bodem van het zwembad… DOOD!”
“LEUGENS!!!” riep Alain. “Leugens! Leugens!! En nog eens leugens!”
“Hoofdinspecteur ad interim Alain Donck, mag ik u vragen om uw zelfbeheersing te bewaren. Wij zitten hier niet in nazi-Duitsland waar men verdachten afblaft.”
“Moei u niet! Pennenlikker!” siste Alain terwijl hij de jonge advocaat met een kwade blik aankeek.
“Gij hebt Tatjana vermoord! Gij hebt gezien hoe ze seks had met Zwachtel. Weet je wel, Zwachtel. Die je toen je nog bij je vader woonde stiekem ging opzoeken in zijn caravan. Om er een stevige pot seks mee te hebben. Hé Caroline.”
“Wie heeft u dat wijsgemaakt?” vroeg Caroline vol gespeelde walging. “Al was die Zwachtel de laatste vent op Aarde, dan nog bleef die vetzak met zijn poten van mijn lijf ja.”
“Denk je dat in een dorp als Dorrenaken zomaar ongezien kan rondlopen in je babydolletje op weg naar je stiekeme minnaar Caroline?” vroeg Alain terwijl hij haar strak aankeek.
Caroline boog het hoofd en veinsde of ze de onschuld zelve was. Maar Alain keek haar vol spotternij en vooral diepe minachting aan.

“Caroline,” zei hij. “Naar de buitenwereld hou je de schone schijn op hé. Doe je je voor als een braaf burgermeisje dat graag optrekt met haar vriendinnen en af en toe een stapje in de wereld zet. Maar weet je wat ik zie Caroline?
EEN ROTVERWEND KRENG! Dat zie ik." riep Alain terwijl hij keihard met zijn vuist op
Jij was jaloers op Tatjana, en weet je waarom? Omdat alle aandacht van je vader naar haar ging, en niet meer naar jou. Tatjana was nu zijn prinsesje, en niet langer jij. Tatjana kreeg nu alle cadeaus en niet langer jij.
En alsof dat nog niet genoeg was. Begon Tatjana na de dood van je papa aan met Zwachtel.
Die dus ook van tussen je vingers wegglipte.
Wat moet jij die vrouw gehaat hebben Tatjana.”
Caroline haar gezicht vertrok.
“Ik was verliefd op Alex ja. Hij vertrouwde mij zijn naam toe. Vertelde over zijn leven.
Ik dacht, die is verliefd op mij. Die wil wel meer.
Maar hij wees mij af.
‘Je bent te jong,’ zei hij.
‘Ik wil geen problemen met het gerecht. Ik wil niet opnieuw in de gevangenis komen’. Zei hij.
Dit terwijl mijn lichaam zo hard naar hem smachtte.”
Caroline slikte. Keek voor zich uit.
“Dan eergisterennacht.  Ik hoorde dat gegiechel, die kirretjes, dat gespetter van het water. Ik ging kijken. Ik dacht dit kon toch niet. Dit kon ze mij toch niet aandoen.
En toch was het zo. Ze kwamen uit het water en dan boog die Tatjana zich voorover om zich te laten nemen door Zwachtel. Hij deed datgene dat ik wilde dat hij met mij deed. Hij neukte haar op zijn hondjes.
En daarna ging ze in de ligstoel liggen en hij op haar. En dan kusten ze elkaar en weer drong hij in haar binnen. “Ik hou van je,” zei hij tegen haar. En kirren dat ze deed, het godverdomse loeder.
Dan vroeg ze. "Ik heb zin in frietjes, Wil je een groot pak frieten halen in het frietkot in het nabijgelegen dorp? Met een frikandel special en een lookworst."
Dan kleedde hij zich aan, en na nog een laatste kus ging hij er vandoor. frieten gaan halen in het naburige dorp. Bij ‘De Ferre' het beste frietkot van uren in het ronde.
Dan zag Tatjana mij ze liep op ij af. Wat doe jij hier trutje?” hoorde ik haar zeggen.
“Je komt toch niet voor Zwachtel hoop ik? Want je ziet ook wel, die is voor mij. Ja, hij houdt meer dan vrouwen dan van verwende poppetjes zei ze. Waarna die valse glimlach op haar gezicht verscheen.
Toen werd alles zwart voor mijn ogen. Ik liep op haar af en gaf haar een duw. Ze viel op de grond.
Toen schopte ik haar. Godverdomme ik schopte die teef gewoon kapot. Ik bleef maar schoppen met mijn schoenen met hoge hakken die ik nog aanhad. Dan, gooide ik mij op haar en duwde ik mijn handen op haar keel. Ik duwde en duwde zo hard ik maar kon. Ik hoorde haar reutelen en zag haar naar lucht happen. Maar het mocht niet baten.
Dan lag ze daar, onder mij.
DOOD!
Ik pakte haar onder mijn armen, tilde haar op en gooide haar zo ver ik kon in het diepe gedeelte van het zwembad.
Dan besefte ik dat ik iets heel stoms had gedaan. En belde ik Ludwig op. Hij zou meteen komen zei hij.”

Dan vervolgde Ludwig het verhaal.
“Toen ik aankwam en zag wat er gebeurde was het voor mij duidelijk.
Dit konden we toch gewoon keihard in die Zwachtel zijn schoenen schuiven.
Iedereen zou dat wel geloven dat hij tot zoiets in staat was.
En het huis zou uiteindelijk van ons zijn.
Ik sloot Caroline in de armen en zei ‘goed gedaan meisje’.”
“SMEERLAPPEN!” siste Alain waarna hij rechtstond en de ondervragingsruimte verliet zonder Caroline en Ludwig nog een blik te gunnen.

Dan liep Alain terug naar zijn bureau. Hij haalde het blad papier dat hij in de broekzak van Alex vond. Dan schonk hij zichzelf een koffie in. “Koffie, heet en straf,” zei hij terwijl hij een flinke slok nam.
Dan opende hij het blad papier. Het was een brief, gericht aan Tatjana.
“Mijn liefste scheetje.
Ik weet niet hoe ik het u moet zeggen. Maar ik ben je zo verdomd dankbaar.
Dankbaar omdat jij mij datgene gaf wat ik echt nodig had.
Edmond gaf mij onderdak, een nieuwe kans, een inkomen. De mogelijkheid om geld aan de kant te zetten zodat ik gauw een nieuwe start kan maken en echt een eigen leven kan opbouwen.
Maar jij ‘scheetje’. Jij gaf met iets heel anders.
Jij gaf mij het diepe gevoel dat ik meetel. Dat ik ertoe doe.
Door mij moed in te spreken en ’s avonds bij me langs te komen. Vaak terwijl Edmond laat moest werken en jij niets beters vond dan naar mijn caravan te komen en samen een opgewarmd blikje TV worstjes te eten met een flesje goedkope wijn erbij.
Om dan samen beurtelings te lezen uit één van mijn favoriete boeken. Of om gewoon te praten over het leven, met onze blik op de sterren gericht.

En dan gaf je mij waar ik al zolang naar verlangde, maar aan verzaakte omdat ik niet nog eens in de gevangenis wil belanden. Daarom verzaakte ik aan de charmes van Caroline, die lichtzinnige snol zonder verstand.
Maar aan u lieve Tatjana – scheetje – aan u gaf ik zonder vrees en zonder bekommernis mijn liefde, mijn seks en mijn lichaam.
En je mag het weten Tatjana, scheetje. Het smaakt naar meer.
In die  zin dat ik maar al te graag je diepe wens wil vervullen. En u mijn zaad schenken zodat er snel een liefdeskindje in je moederschoot zou groeien.
Maar voor ik dat doe lieve ‘scheetje’. Heb ik nog één vraag.

WIL JE MET MIJ TROUWEN?

Vol verwachting wacht ik op je antwoord.
Je lieve Alex.”


Alain plooide de brief terug dicht.
Boog het hoofd en zuchtte diep.
“Waarom werd hen het liefdesgeluk niet gegund? “ vroeg hij zich af.
Tatjana zou Alex er vast wel bovenop geholpen hebben.
Buiten was het heet. Alain voelde de warme zonnestralen op zijn huid branden.
Zijn gedachten dwaalden af naar het zwembad achterin de tuin van het prachtig gerestaureerde herenhuis. Hij zag op zijn netvlies hoe Alex en Tatjana de zomerhitte inruilden voor het koele water van het zwembad. En daar vooral de warmte van hun harten voelden.
“Koffie, heet en straf,” zei hij waarna hij rechtstond en een nieuwe kop inschonk.

maandag 29 juni 2026

Ze noemden hem Zwachtel 4

 





Alain en Serge betraden het mortuarium waar Dr Duchéne hen stond op te wachten.
“Bonjour messieurs,” zei hij terwijl hij minzaam knikte. “Je suis fini avec le rapport de examen post mortem,” ze hij terwijl hij beide rechercheurs uitnodigde om bij hem aan de onderzoekstafel te komen staan. “Ik ben klaar met het rapport van het post mortem onderzoek. Kijken jullie maar even mee. Hij trok het laken weg waaronder het levenloze lichaam van Tatjana Kusters lag. De jonge vrouw lag op haar rug, haar hoofd ietsje naar links gedraaid en haar mond half open. Hij liet het witte laken op haar voeten rusten en trok meteen haar benen open. “Comme vous pouvez les voir, zoals jullie kunnen zien aan de vlekken rond haar intieme delen heeft deze demoiselle voor haar dood geslachtsgemeenschap gehad. Maar dat wil natuurlijk niet zeggen at er sprake is van verkrachting. De liezen zijn niet gescheurd of geforceerd, en er zijn ook geen inwendige scheurtjes te zien in de vagina. Dus kunnen we er gerust van uit gaan dat ze instemde met de geslachtsgemeenschap. Ook is er weinig sprake van druk op de ribbenkast of andere plaatsen van het bovenlichaam zoals dat wel vaker voorkomt bij verkrachting. Wel heeft ze meerdere slagen en schoppen te verwerken gekregen, alsook vond ik meerdere krabsporen over haar lichaam maar vooral in haar gezicht. Het zijn scherpe groeven dus ik vermoed dat het iemand was met scherpe nagels. De meeste mannen hebben geen scherpe nagels, dus ik vermoed dat diegene die haar krabte een vrouw was. Maar dat wil daarom niet zeggen dat zij haar gedood heeft. En kijk, zie je hier die halen in haar been. Dit is duidelijk toegebracht met een hoge hak.” Zei Dr Duchéne terwijl hij het linkerbeen van Tatjana lichtjes draaide.
Serge zat er maar ongemakkelijk bij. Alain had het in de gaten.
“Geen fraai zicht hé vriend, zo’n lijkschouwing. Maar dit hoort nu eenmaal bij het vak van rechercheur Serge. Het wordt echt hoog tijd dat gij eens wat meer van achter uw bureau komt mijn beste,” voegde Alain eraan toe.

Terug op het bureau bestudeerde Alain het rapport van de lijkschouwing, oftewel het post mortem onderzoek. Dan ging ineens de telefoon. “Met Alain Donck,” zei Alain met opgewekte stem. “Hoe zegt u? Hij vraagt naar een zekere Alex. Maar hij stond bij de caravan van Zwachtel.
Kijk, ik kom zo snel mogelijk want ik wil die jongen zo snel mogelijk spreken,” zei Alain terwijl hij rechtstond. Hij gaf Serge een por. “Kom vriend, werk aan de winkel. Er is bij de caravan iemand opgedoken die Zwachtel lijkt te kennen. Zijn echte naam zou Alex zijn.
Alex Van Bezien. En hij zou van Oostende afkomstig zijn.
Alain kwam aan bij het plaatselijke politiekantoor van Galmaarden. Daar zat een man op een bank. “Dag Hoofdinspecteur,” zei één van de inspecteurs. “Dit is de man die we bij de caravan aantroffen. Hij wilde de zegels doorbreken, maar we hebben hem meteen duidelijk gemaakt dat daar geen sprake van kon zijn. Hij zocht een zekere Alex en aan de beschrijving die hij gaf was het voor ons duidelijk dat hij naar die Zwachtel zocht.”
Alain aanhoorde het en bedankte de inspecteur. “Goeiedag meneer. Hoofdinspecteur ad interim Alain Donck van de Gerechtelijke Politie en dit is mijn collega Serge Hinnekindt. Wilt u even met ons meekomen?”
De jongeman stond op en ging mee met Alain en Serge die een afgezonderde ruimte ter beschikking kregen waar ze de jongeman konden verhoren.
“Bon, vooreerst willen we weten wat uw naam is?” vroeg Alain.
“Mijn naam is Rik Patteeuw, mor iedereen noemt mien Ricardo,” zei de langharige jonge kerel die gekleed was in een gebleekte jeansbroek, sjofel jeansvestje en een T-shirt van Humo met een cartoon van Kamagurka erop.
“Ik kwam’n me moat opzoeken. Ales. Mor toen zagen kik dat zien caravanne verzegeld was.
Es ’t er etwad met Alex gebeurd?”

“Dat weten we niet,” zei hij. “We hadden hem graag gesproken over een incident dat plaatsvond in het herenhuis dat eigendom was van de man die hem toelating gaf om op zijn grond in de caravan te verblijven.”
Edmond Hesters,” zei Ricardo.
“Precies,” zei Alain.
“Edmond heit vele gedoan voe Alex,” zei Ricardo. “En ’t es dankzij hem da ‘k weten woardat ie nu weunt.” Zei Ricardo.
Dan keek hij voor zich uit en slikte hij een paar keer.
“Alex was me kozen. En eigenlijk ook geweune me beste moat. We ghing’n tope na ’t schole van de bewoarschole tot de visscherieschole. We ghieng tope ghoan voaren en we dejen tope uuze legerdienst in Duutsland. En w’hein tope in e bandje gezeetn ook. “The Ugly Bastards,” e punkbandje woar da we Oostende en de Middenkust mee onveilig maakten. Optreden voe vuuvhoenderd frank en e bak bier, ken je dadde?”
“Nee, dat ken ik niet,” zei Alain. “Maar ga door.”
E joar of vuuve geleedn rakte Alex in kennisse met e meisje. E pronte koeketiene van e rieke familie. Carine Bertheloot, dochter van e volksvertegenwoordiger van de caloten. Stief katholiek en heel kleinburgerlijk, ‘k moeten ghin tekeningsje bie maken zeker? Mor Carientje was e betje rebels en dik tegen de goesting van eur voader hing ze liever roend tusschen geweune volkse gasten. ’t Liefst van ol visschers. Ek hein Alex nog gewoarschuwd. Lot er joen nie méé in, want d’er ghoat doar miserie van komn.
Mor ja, je wilde nie luustern hé.
Op e dag trok ie met dat joenk na ’t Fort Napoleon voe doar e potje te ghoan vrijen. En ie meer of je wier betrapt deure twee gendarmes te peird. En toen es ’t gebeurd. Dat joenk rukte eur los, liep na die gendarmes en riep ‘Il m’a violée! Ii m’a violée!
Je’hei mien verkracht!”


Dan werd het stil. Alain kreeg het ijskoud. Hij zag hoe Ricardo trilde op zijn benen en hij wist, dit is een jongen die voor zijn vriend opkomt.
“Alex werd meegenomen deure die gendarmes. Naakt. J’eit doar in de kazerne e ferme rammelinge gekreegn en daarna werd ie naakt naar de gevangenis overgebracht. Je mocht niemand zien en ’t heeft drie dagen geduurd eer ie contact mocht opnemen met zien advocaat. Intussen kreeg ie van zien eigen voader te horen dat ie nietend meer met hem te maken wilde hein. Iedereen liet Alex vallen. Iedereen.
Je was ol veroordeeld eer het proces nog moeste komn.
Intussen wisten ze ook in ’t gevang woarvoorn dat ie beschuldigd was. En op nen dag werd ie ingesloten deure  medegedetineerden en kreeg ie slagen. Eén van die gedetineerden had e grote glasscherf bie hem. En stak doarmee in ze linkerooghe. Sindsdien… “

Ricardo kreeg het moeilijk. Alain stond recht en klopte vaderlijk op zijn schouders.
"Alex werd verdedigd door Edmond Hesters en die had al snel door hoe de vork aan de steel zat. Hij ondervroeg Carine en stelde gerichte vragen, hij lokte haar letterlijk in de val. Ze moest wel bekennen. Daarna stak hij een vurig betoog af over hoe conservatisme ertoe leiden kan dat kinderen en dan vooral meisjes overgaan tot valse beschuldigingen om toch maar niet in ongenade te vallen bij hun ouders.
Alex werd vrijgesproken en Edmond besloot om zich over hem te ontfermen.
Sindsdien weunt ie en die caravanne. En probeert ie etwad van zijn leven te maken. Voor ’t leven getekend deure die lelijke zwachtel op zijn linkeroog en de naam en reputatie te hebben een ‘verkrachter’ te zijn.”

Ricardo zweeg weer een poos en ging dan verder.
“Alex wil graag schrijver worden. Hij liet mij een manuscript lezen, een verhaal. Ek zei dat ie dat moest uitbrengen en we zouden samen naar Antwerpen vertrekken om daar dat manuscript voor te leggen.”
“Ik heb genoeg gehoord,” zei Alain.

“Alex Van Bezien,” zei Alain toen hij zijn kantoor binnenstapte en meteen naar zijn dossierkast liep. Hij haalde er een map met krantenknipsels uit. “Hier, hele verslagen over deze zaak. Over deze schandalige gerechtelijke dwaling. En ondanks alle aantijgingen blijft dat stuk senator beweren dat zijn dochter verkracht is en beweert hij dat die advocaat leugens en listen gebruikte om zijn cliënt alsnog van alle blaam te zuiveren.
Hypocriet strontvolk,” sakkerde Alain.
“Maar goed. We weten nu wie die jongen was. Wat er met zijn oog gebeurde, waardoor hij met de bijnaam Zwachtel door het leven ging. Maar de vraag rest. Waar was hij de nacht dat Tatjana werd vermoord en in welke mate was hij daarbij  betrokken?
Dan riep hij zijn team samen voor een vergadering. “Goed, wat weten jullie intussen over die genaamde Zwachtel?” vroeg Alain aan Tony en Gilles, de jongens die hij opdracht gaf om de dorpelingen uit te horen over Zwachtel, met de bedoeling meer over hem te weten te komen?”
“Er deden geruchten de ronde,” zei Gilles. “Als zou hij te doen hebben gehad met de dochter van Edmond Hesters.”
“Caroline?” zei Alain terwijl hij over zijn kin wreef.
“Inderdaad,” zei Gilles. Er zijn dorpelingen die beweren dat ze haar ut het huis zagen sluipen waarna ze naar de caravan liep en hij haar binnenliep. Vaak had ze nauwelijks meer aan dan haar slaapkleedje.”
“Interessant,” zei Alain.
“Je moet weten dat ze toen nog maar zestien jaar was,” zei Tony. “Tuurlijk mocht vader daar niks van weten. Maar blijkbaar zorgde die ruige Zwachtel er wel voor dat de hormonen van de jonge Caroline op hol sloegen.
Ik heb zo het gevoel dat broer en zus Hesters zo hun geheimpjes hebben,” zei Alain. “Dat ze het één en ander verborgen houden voor ons.”
Dan ging de telefoon. “Met Alain Donck,” zei Alain nadat hij opnam.
“Ik kom zo meteen commissaris,” zei hij.
“Heren excuseer mij maar de commissaris laat mij roepen,” zei Alain waarna hij naar het bureau van de commissaris trok.

“Ik wil dat je verzegeling van het huis van wijlen Edmond Hesters onmiddellijk ongedaan maakt!"
zei de commissaris nadat Alain het kantoor binnenkwam en de deur achter zich toetrok.
“Waarom?” vroeg Alain.
“Omdat de nabestaanden het kotsbeu zijn om niet in het huis van hun vader te kunnen terwijl er daar nog veel opgeruimd moet worden.”
“Ja, dat begrijp ik,” zei Alain. “Ze willen zo snel mogelijk dat huis en de inboedel verkopen nietwaar. Zeker zoon Ludwig die nogal krapjes bij kas zit.”
“Dat zijn onze zaken niet,” zei de commissaris. “Hoofdprioriteit is nu dat jullie achter die genaamde ‘Zwachtel’ aangaan. Hij is de man die jullie moeten hebben. Hij heeft zich aan Tatjana vergrepen en haar daarna gewurgd. Dat is toch duidelijk.”
“U hebt het post mortem rapport blijkbaar niet goed gelezen commissaris.”
De commissaris zweeg even maar vervolgde dan. “Ik wil pas dat je verdere conclusies trekt nadat je die Zwachtel hebt verhoord, is dat duidelijk. En je laat Ludwig en Caroline Hesters voorlopig met rust. Dat zijn mensen met een vlekkeloze reputatie die zeer hoog aangeschreven staan. Ik tolereer niet dat jij deze mensen lastigvalt met verdachtmakingen waar geen enkel bewijs voor is.”
“Commissaris, nogmaals. Lees het post mortem rapport, en vooral. Lees het aandachtig.
Meer kan ik in deze niet zeggen.
Mag ik nu beschikken commissaris?”
“Eruit!” zei commissaris Van Oudheusden kortaf.
Toen Alain naar zijn kantoor terug wandelde kwam Serge op hem af. “Chef, er is een lichaam gevonden even buiten het dorp, op het landweggetje dat vertrekt bij Huize Rozenrood.
Het zou gaan om Zwachtel!”
“Godverdomme!” vloekte Alain binnensmonds terwijl hij zijn jas van de kapstok plukte.

zondag 28 juni 2026

Ze noemden hem Zwachtel 3

 




Alain en Gaston stonden voor de caravan van Zwachtel. De deur was dicht maar niet gesloten, ze stapten meteen naar binnen. De caravan stond aan de overkant van de weide die achter het huis van wijlen Edmond Hesters lag. Aan de rand van een bosje dat eveneens op zijn grond lag. Het was een oude caravan die helemaal onder een laag groen zat en ietwat scheef stond omdat één van de banden van de vier wielen waarop de caravan ruste lek was.

Het interieur was rommelig en het bed dat zich achteraan bevond was niet opgemaakt. In het kleine keukentje stond bij het aanrecht een berg afwas en op het elektrisch fornuis een vuile pan en pot met nog resten spaghetti in en ook op de tafel in de zithoek stond een bord met nog een restje spaghetti bolognese in. Alsook een stapel boeken. Ook in de zetel lagen meerdere boeken,
“Hmmm best wel zware lectuur,” dacht Alain terwijl hij een boek nam en erin bladerde. Naast de zetel stond een pick-up waarop een plaat van Led Zeppelin lag. “En een muziekliefhebber is het ook,” zei hij dan.
“In alle geval, hij is er niet,” zei Gaston. “De vogel is gaan vliegen en daar zal hij vast zijn reden voor hebben.”
“Ik twijfel echter aan het vrijwillige van zijn vlucht,” zei Alain. “Kijk hier, een doos vol zwachtels en gaasverband en een fles ontsmettingsalcohol. Weten we meteen waarom ze hem zwachtel noemen.
Als hij echt wilde vluchten, waarom nam hij dan zijn zwachtels en ontsmettingsalcohol niet mee. Waarom zou hij riskeren dat zijn letsel ontsteekt met alle gevolgen van dien.”
Gaston legde zijn hand op de schouders van Alain “Goed opgemerkt… Alain,” zei hij dan.
“Ik laat de caravan verzegelen en daarna gaan we in die herberg in het dorp ene drinken. Want ik zou graag iets met u willen bespreken. ONDER VIER OGEN!”

Alain en Gaston verlieten de caravan en nadat hij de commissaris van de gemeentepolitie de opdracht had gegeven om de caravan te verzegelen trok hij met Alain naar Herberg Sint Gommarus. Daar werden de gebeurtenissen van de dag druk besproken.
“En!” riep Marcel Lippens die aan de toog zat en zich omdraaide toen hij de twee rechercheurs zag binnenkomen. “Hebde gijlen diene Zwachtel al te pakken?” vroeg hij.
“We zijn ermee bezig,” zei Gaston.
“Ja, daarmee dat gijlder tijd hebt om hier te komen pinten pakken zeker?
Gaston en Alain negeerden de opmerkingen van Marcel en ze gingen aan een tafel in een hoek van de herberg zitten. “Patron, twee geuze’s alstublieft,” vroeg Gaston terwijl hij naar de waard knikte.
Josef bracht de heren twee schuimende glazen geuze. “Meneer, vertel eens. Hoe stond die Zwachtel aangeschreven in het dorp?”
Josef zuchtte. “Niet bij iedereen even goed,” zei hij in alle eerlijkheid. “Kijk, ik heb er nooit problemen mee gehad. Hij kwam hier regelmatig kaarten. Betaalde alles stipt en zocht nooit twist. Een heel sociale en joviale mens waar niks op aan te merken is. Maar ja, zo’n ruige kerel met een zwachtel op zijn linkeroog en een ietwat houterige manier van lopen. En niemand die weet wie hij is of zelfs niet wat zijn naam is. Tja, tuurlijk dat de mensen speculeren hé meneer.
Ik kan eerlijk gezegd niet geloven dat hij zoiets gedaan heeft,” zei Josef met gedempte stem.
“Wij gaan er alsnog niet van uit dat hij de dader is. Maar we willen hem wel vinden om van zijn kant te horen wat er gisteren echt gebeurd is.”
“Dat begrijp ik heren,” zei Josef. “Geniet van jullie bier.”

Nadat beide heren hadden geproost nam Gaston een flinke slok van zijn bier en keek Alain dan recht in de ogen. “Alain, ik zou u om een verzoek willen vragen,” zei hij.
“Ik luister,” zei Alain.
“Ik zou willen dat jij de leiding neemt over het onderzoek,” zei hij meteen ter zake komende.
“Ik? En waarom dan?” vroeg Alain.
“Omdat ik in u geloof,” zei hij. “Zeker na je opmerkzaamheid daarnet in de caravan.
Nu ja, ik geloof al een poosje in je talent, maar ik liet het niet merken. Ik bleef je ‘betweterke’ noemen ofschoon jij al lang geen betweterke meer bent. Meer nog, jij bent één van de beste partners die ik heb gehad. Je leert bij, je denkt mee, je kijkt verder dan je neus lang is. Jij hebt alles in je om een uitmuntend speurder te worden Alain.
Dit is je kans om je te bewijzen. En ik zeg er meteen bij. Je zal het helemaal alleen doen want ik zal niet te bereiken zijn. Je hebt de kans om te tonen dat je wel degelijk iets geleerd hebt in die vijf jaar dat we samenwerkten.”
“Ik ben zeer vereerd chef,” zei Alain. “En ik zal je niet teleurstellen.”
“Je moet vooral zien dat je de commissaris en de andere hoge niet teleurstelt Alain,” zei Gaston. “Want jij zal diegene zijn die hen rapporteert en op de hoogte houdt van het onderzoek. En ik verzeker je Alain. Dat is het moeilijkste deel van het vak van rechercheur. Die hoge heren in hun eikenhouten bureaus die hun wereld bestaat alleen maar uit procedures, statistieken, cijfers en vooral hun relaties met de politiek, de pers en de publieke opinie. Ze willen kunnen pronken nietwaar. Ze willen kunnen uitpakken niet alleen met resultaten maar ook met hoe stipt de procedures gevolgd worden, hoe goed hun relatie is met de allerhoogste kringen en al die dingen. En wat doen ze dan bij elk rapport, bij elke overlegmoment. Lastige vragen stellen, je tegenhouden, je onder druk zetten.
Daar ga jij nu moeten leren mee omgaan Alain. Want dat deel is jou nog veel te onbekend en ik wil dat daar verandering in komt.
“Chef, is het niet gewoon dat gij uw verlof wilt oppakken dat ge dreigt mis te lopen nu we deze zaak voorgeschoteld krijgen.”
Gaston stak zijn duim omhoog en knikte minzaam. “Gij gaat snel begrijpen waarom ik zo hard snak naar deze vakantie Alain. Grijp deze kans gewoon jongen, en doe je best.”
“Dat zal ik zeker doen chef,” zei Alain.

Alain stond er nu alleen voor. Gaston had zijn idee al met Commissaris Guillaume Van Oudheusden besproken waarna deze Alain op zijn kantoor ontbood.
Guillaume Van Oudheusden zat kaarsrecht achter zijn bureau. Zijn uniform was smetteloos en zijn haar keuring in een splitsing gekamd. Ook zijn fijne grijze snorretje was tot op de millimeter getrimd. “Inspecteur Donck, bij deze benoem ik u dus tot hoofdinspecteur ad interim tot Hoofdinspecteur Deboef terug is uit verlof. U hebt de volledige leiding over het onderzoek in het dossier rond de moord op Tatjana Kusters. En in dien verstande verwacht ik dat u mij keurig en stipt rapporteert en vooral dat u geen eigengereide initiatieven neemt zonder mij daarin te kennen.
Ik verwacht van u dat u in deze wat meegaander zult zijn dan uw collega en weet dat ik in uw geval hier veel strenger zal op toezien. Want in tegenstelling tot uw collega Deboeuf kunt u niet beroepen op een formidabele staat van dienst. Hou dit vooral in gedachte Hoofdinspecteur ad interim Donck.”
“Ja commissaris,” zei Alain onderdanig. Hij keel vol ontzag naar commissaris Van Oudheusden die strak voor zich uitkeek en geen greintje emotie toonde. Hij vroeg zich af hoe Gaston er toch in slaagde om het gezag van de man voor hem te trotseren. Maar hij zou snel de noodzaak hiervan begrijpen.
Dan trok hij terug naar zijn eigen bureau en besprak hij met zijn collega’s rechercheurs de volgende stappen. Hij bekeek het dossier van Ludwig, de zoon van Edmond Hesters en hij snapte al snel dat de man behoorlijk in de schulden zat. Zijn accountancy kantoor dat hij had opgericht met de centen van zijn vader zat diep in de rode cijfers en er was sprake van zware gokschulden. Hij stond op de zwarte lijst van zo goed als alle casino’s van ons land en dat wilde toch wel wat zeggen. Hij sprak zijn collega Serge Hinnekindt aan, wij gaan die Ludwig eens een bezoekje brengen. Want ik vond dat hij wel heel erg zijn best deed om onze aandacht naar die Zwachtel te leiden.
Tony en Gilles, jullie gaan naar het dorp en proberen zoveel mogelijk te weten te komen over die Zwachtel, wie hij is, wat de dorpelingen van hem dachten. En probeer ook contact te zoeken met de entourage van wijlen Edmond Hesters, wie weet zijn er daar wel mensen die meer over die Zwachtel weten.”
Dan knikte hij naar Serge. “Kom vriend, er is nog veel werk aan de winkel,” zei hij.

Alain en André begaven zich naar Brussel. Serge Hinnekindt was even oud als Alain en was net vader geworden van een zoontje. Hij is een plichtsbewuste en zeer precies werkende rechercheur met oog voor detail. Maar tegelijk hield hij zich liever op de achtergrond. Maar daar trok Alain zich niets van aan. “Als rechercheur moet ge onder de mensen durven komen,” zei hij. “Ik voer het woord en ge probeert te onthouden welke woorden ik gebruikt en hoe Ludwig daarop reageert.
Ludwig Hesters runde zijn accountancybedrijf vanuit een protserig kantoor met uitzicht over de chique Avenue Louise. Met enige tegenzin ontving hij Alain en zijn collega Serge op zijn kantoor.
“Zouden jullie niet beter achter die Zwachtel aangaan?” vroeg hij korzelig. “Straks zit die klootzak in het buitenland en jullie zitten hier jullie tijd te verdoen met eerzame en hardwerkende burgers lastig te vallen.”
“U hoeft ons niet te vertellen hoe wij ons onderzoek moeten voeren Meneer Hesters. Zwachtel staat gesignaleerd en alle politiediensten alsook de grensposten werden gevraagd naar hem uit te kijken. Wat wel behoorlijk moeilijk is als we zijn echte naam niet kennen. Echt geen enig idee wie die man is?”
“Hoe zou ik dat weten. Vader hield dat allemaal voor zichzelf. Hij is dood en wij weten nog altijd niet wie of wat we op ons domein hebben. En dat allemaal door zijn naïeve wereldbeeld hé.”
“Laten we het eens over u hebben?” vroeg Alain. “Waar was ui gisterenavond tussen achttien en tweeëntwintig uur?”
“U verdenkt mij,” zei Ludwig terwijl hij een intimiderende houding aannam.”
“In deze fase van het onderzoek verdenken wij iedereen meneer Hesters,” zei Alain.

Dan ineens ging de deur open en een jonge vrouw kwam binnen, molenwiekend met haar armen.
“Ludwig, je ne peux pas entrer dans le maisons de papa!” riep ze vol verontwaardiging. “Ik raak niet binnen in het huis van papa. De politie wil me geen toegang verschaffen.”
“Mais enfin Caroline,” zuchtte Ludwig terwijl hij het gesprek onderbrak en op de jongedame afstapte. Ze hand lang licht krullend blond haar dat ze in ene diadeem had opgestoken. Ze droeg een chique rood kleedje dat tot boven de knie uitkwam en welks ze combineerde met zwarte nylons en ze liep op modieuze schoenen met hoge hakken. Het was duidelijk dat deze jongedame op geen cent keek als het over mode en accessoires ging. “Tu ne peux pas frapper avant d’entrer? Kan je niet kloppen voor je binnenkomt?”
“je ne peux pas entres dans le maisons de papa!” herhaalde Caroline stampvoetend. “Faites quelque chose! Doe iets!”
“Dag juffrouw,” zei Alain in het Nederlands. “Ik ben Hoofdinspecteur ad interim Alain Donck van de gerechtelijke politie. Het spijt me maar u kan het huis van uw vader momenteel niet betreden in belang van het onderzoek naar de moord op Tatjana Kusters. We willen niet dat er sporen verloren gaan, begrijpt u?”
“Jullie moeten gewoon die freak zoeken die papa in die bouwvallige caravan liet wonen. Dat moeten jullie doen! Hij is de moordenaar en niemand anders!” riep Caroline verontwaardigd! Maar blijkbaar vinden jullie het lastig vallen van onschuldige mensen belangrijker!”
“Zo werkt het niet juffrouw,” zei Alain. “U bent evenzeer verdacht als de genaamde Zwachtel die u hier respectloos omschrijft als ‘freak’. Zolang er geen aanwijzingen zijn dat hij het gedaan heeft staan alle pistes open.”
“Bande de fasho’s,” siste Caroline terwijl ze Alain en Serge vol minachting bekeek.
“Ik zal maar doen of ik dat niet gehoord heb juffrouw. Belediging en smaad aan een wetsdienaar in functie is strafbaar, dat weet je toch?
Trouwens, waar was u gisterenavond tussen achttien en tweeëntwintig uur?”
“Chez ma mere,” zei Caroline. “Bij mijn moeder. Ik woon bij mijn moeder. Ik wilde geen minuut langer nog onder één dak wonen met die… ‘pute’.” Zei Caroline vol minachting.
“Kan ik hieruit besluiten dat de verstandhouding tussen u en Tatjana niet bijster goed was?” vroeg Alain op rustige toon.
“Cette un pute!” riep Caroline vol venijn. “Het was een hoer. Niets meer of minder, een hoer die op het geld van vader uit was. Makkelijk hé, heelder dagen schilderijen en beeldhouwwerken maken die voor geen meter verkopen, als je toch een vent hebt die je onderhoud. Vader zag me niet meer staan, het was alleen nog Tatjana die telde. Ik liep gewoon in de weg. Ik, zijn eigen dochter. En intussen maar kruipen voor dat wijf. Le pauv’con.”
“Je hebt het wel over je vader zaliger,” merkte Alain fijntjes op.
“Mooie vader, van wie je te horen krijgt dat je in de weg loopt. Dat kreeg ik dus te horen hé. Als zijn eigen dochter! Merde alors.”
“En dan vindt je het vreemd dat ik niet alleen Zwachtel, maar ook je broer als jijzelf als verdachte beschouw. Kijk Caroline, ik ga nu contact opnemen met je moeder en vragen of jij gisteren inderdaad de avond bij haar doorbracht.
En u houdt je ter beschikking. En dat geldt ook voor u Ludwig.
Nog een prettige dag.”

 

zaterdag 27 juni 2026

Ze noemden hem Zwachtel 2

 




Terzelfdertijd in café Sint Gommarus.
“Bon, ik geef nen tournee,” zei Georges Bertels terwijl hij wenkte naar Jefke, de waard van het café.
Josef Vermeire, door iedereen gemeenschappelijk Jefke genoemd baatte al sinds jaar en dag deze authentieke herberg uit. Net zoals zijn vader, grootvader en overgrootvader dat deden. Als van kleinsaf aan moest hij meehelpen in het café. Biervaten vervangen, bierbakken sorteren en leeggoed triëren, glazen spoelen, tafels afruimen en meehelpen in de keuken. En als hij daar oud genoeg voor was mensen bedienen. Het café houden werd hem met de paplepel ingegoten en niet alleen het café houden. Zijn café was niet alleen gastheer van talloze verenigingen zoals de duivenbond, de lokale voetbalploeg en de ambachtskring. Maar hij was er ook lid van. Hij hield zelf meerdere duiven die mooie prijzen wonnen en zijn hobby was manden vlechten en ook daarmee oogstte hij bewondering bij de andere ambachtslieden. Maar de meeste tijd bracht hij door in zijn café en dan nog het liefst van al achter zijn toog.
Jefke begon te tappen, voornamelijk geuze, dat was het bier dat hier het meest gedronken werd. Maar ook gewoon pilsbier vloeide hier rijkelijk. Voor enkele dames aan een tafeltje bij het raam schonk Jefke witte wijn in en voor de oudste van de dames een porto. Jef kende van alle klanten hun voorkeur en vroeg ernaar wanneer ze binnenkwamen, zoals het een goed cafébaas betaamde.
“Zeg, komt Zwachtel hier niet meer?” vroeg Marcel Lippens, terwijl hij een slok van zijn geuze nam.
“Nee,” zei Jefke. “Sinds dat Edmond dood is zien we hem hier niet veel meer. Ja, op de dag van de begrafenis is hij nog langs geweest na de koffietafel, samen met Tatjana en nog een paar dames die ik niet ken. Ze hebben buiten op het terras gezeten en daar wat gepraat en na twee bestellingen waren ze alweer weg.
“Dat hij hier maar wegblijft,” zei Georges. “Hoe minder da ‘k zijne kop hier zie hoe liever. Kan ik tenminste ook nekeer kaarten.”
“Dat ge nie kon kaarten is uw eigen fout hé Georges,” zei Marcel. “Als Zwachtel mee kaart dan staat gij altijd uw plaats af.”
“Tuurlijk da. Ik wil niet gezien worden aan nen tafel mé diene ‘metteko’. Dan val ik nog liever dood, goe geweten,” zei Georges met luide stem terwijl hij hard op de toog bonkte.
“Waar zat den Edmond toch met zijn gedachten om dei pee binnen te pakken, da verstoan ik naa echt nie se. Ik had gedoecht da dee zijn schup ging afkoise naa dat den Edmond zijne kop heeft neergelegd. Mor nee, dei bleft dor mor in die caraven achter ’t huis van den Edmond. Ne mens zou peinzen dat die twee iet te doen hemme me mekaar.”
“Dat zou mij nog nie verwonderen ook,” zei Jacques Decoster, een klein pezig mannetje met witte pet die tussen Georges en Marcel kwam staan om nog een pint te vragen.
“Volgens mij liet Edmond diene Zwachtel op zijn vrouw kruipen, omdat ze niet op een ander zou ghoan. Stel u voor die vindt nen andere vrijer en die gaat dan samen met hem d’er vandoor met den Edmond zijn centen. Verstade wa da ‘k wil zeggen?”

Marcel hoorde het aan, dronk in één teug zijn geuze uit en draaide zich naar Jacques. “Verstaat gij eigenlijk wel zelf wat ge daar allemaal zit te lullen?” vroeg hij. “Edmond ontfermde zich over Zwachtel omdat hij die jongen een nieuwe kans wilde geven. Een jongen die anders misschien in de goot zou terechtgekomen zijn,” zei Marcel die de verontwaardiging voelde opborrelen. Ik heb veel met Zwachtel gepraat hé, en dat is een hele goeie jongen. Heel welbespraakt en vooral, die heeft iets in zijn kopke zitten?”
“Waarom gaat hem dan geen serieuze job zoeken?” vroeg Georges. “Zal ik het u zeggen? Hij komt nergens aan de bak omdat het ne godverdomse crimineel is. Nen dief, en misschien ook nog ne verkrachter. Geen serieuze mens wil dat in zijn commerce, zeg dat ik het u gezegd heb. En meer woorden maak ik aan dei charlatan niet vuil.” Dan dronk Georges zijn glas leeg en stond hij recht.
“Als die erfgenamen van de Edmond diene Zwachtel niet buiten zwieren dan zal ik er nekeer voor zorgen dat hem zijn boel kan pakken. Want vergeet niet dat dat illegaal is hé ergens in een caravan gaan wonen waar het u goed uitkomt. Nog ne goeien dag,”
Met die woorden verliet Georges het café en stak hij zijn pijp op terwijl hij naar huis wandelde. Ook Jacques nam zijn pint en zette zich weer aan zijn tafeltje waar hij verder zijn krant las.
“Ja,” zei Jefke. “Die jongen raakt hier maar niet aanvaard hé. Ook al doet hij niemand kwaad.”
“Ach, ge kent de mentaliteit hier in ’t dorp hé Jefke,” zei Marcel. Als ge niet zijt zoals zij, dan hoorde d’er niet bij en wordt ge verstoten. Van Edmond moesten gasten als Georges en Jacques ook niks hebben. Tot ze in de puree zaten, dan stonden ze rap aan den Edmond zijn deur. De godverdomse hypocrieten. Bon geeft er mij nog ene en pakt maar al een spel kaarten. “Mannen! Wie heeft er goesting in een spelleke?” vroeg hij voor heel het café

’s Anderendaags, vroeg in de ochtend.
De nevelen hingen nog rond de zacht glooiende heuvels van het Pajottenland. De vogels zongen al volop hun ochtendlied en Floribert Vermeulen was al vroeg in de weer in zijn moestuin. De sperzieboontjes moesten dringend geoogst worden. Hij wist dat hij altijd wel een mooie partij boontjes kwijt kon aan zijn buurman Edmond, maar die is vorige maand overleden. Hij hoopte dat zijn jonge weduwe Tatjana ook wel zin had in een lekker fris boontje. Ze hoefde ze niet zelf te kuisen of te koken, dat zou de meid wel doen.
Dat was Lucienne Van Ackere. 64 jaar en destijds als veertienjarige begonnen als meid bij wijlen Notaris Hippoliet Vandewiele. Toen die overleed was het Floribert – gemeenschappelijk Flor genoemd – die een goed woordje deed voor Lucienne bij de nieuwe buurman advocaat Edmond Hesters. Maar Flor weet niet dat het vooral oudere zus Gracienne Van Ackere was die Edmond overtuigde.
Flor bukte zich en begon aan zijn taak, het plukken van de boontjes. Ondanks het vroege uur as de zon al flink aan het branden. “Dag Flor,” hoorde hij ineens. Hij rechtte zich en hoorde de stem van Lucienne. “Dag Lucienneke, schoon weer hé vandaag.”
“Ja, het gaat warm worden ze. Ik zou niet te lang in den hof werken als ik van u was. Ge krijgt een zonneslag voor ge het weet.”
“Mijn boontjes moeten binnen Lucienneke,” zei Flor. “Anders gaan ze kapot. Ge weet gij ook in den hof is ’t werk nooit gedaan hé.”
“Da’s just Florke,”
zei Lucienne. “Doe voorzichtig hé.”
Flor werkte verder. Zijn moestuin was zijn lange leven. Zijn moestuin en zijn duiven want Flor was een verwoed duivenmelker en met zijn duiven heeft hij al heel veel mooie prijzen gewonnen.
Dan ineens schrok hij op van een kreet die door merg en been ging. “Lucienne!” zei Flor terwijl hij recht veerde.
Flor liep het huis in en dan langs de poort om het herenhuis heen naar achter in de tuin. Bij het zwembad zat Lucienne op haar knieën met haar handen voor haar mond.
Flor kwam bij het zwembad en toen zag hij iets liggen op de bodem…
“Godverdomme!! Zeg dat het niet waar is,” prevelde hij terwijl hij een kruisteken sloeg.

Een uur later.
Politiewagens vulden het kleine kasseiweggetje en mannen in uniform als in burger liepen af en aan. In de tuin zochten politiemannen naar sporen terwijl mannen van het parket alles minutieus gadesloegen.
Bij het zwembad zat wetsdokter Valére Duchéne geknield bij het levenloze lichaam van Tatjana Kusters. Hij draaide het lichaam naar links en betastte haar hals. Bij hem stonden Hoofdinspecteur Gaston Deboeuf en zijn jongere partner Alain Donck. Gaston porde zijn partner en sprak hem aan. “Ewel betweterke, wat denkt ge? Moord of een ongeluk?”
“Ik zie al van ver rode vlekken rond haar hals, die de vorm van een hand hebben. Ik zou zeggen wurging. Moord dus.”
“Ge leert bij ket, ge leert bij,” zei Gaston die een geboren Brusselaar was en ofschoon hij zich in vlekkeloos ABN uitdrukte regelmatig Brusselse uitdrukkingen bezigde. “Ge gaat gij nog nen echte speurder worden. Dik tegen mijn verwachtingen in,” zei hij cynisch. Toch sloeg hij kameraadschappelijk zijn arm rond zijn jonge protegé.
“Ill’ya de raison, hij heeft gelijk,” ze Dr Duchéne terwijl hij het lichaam van Tatjana terug op haar rug legde. “Elle a eté étranglée, ze werd gewurgd. En ze kreeg duidelijk ook een paar flinke klappen en trappen te incasseren voor ze stierf. Dat zie je aan ‘les taches bleu’ over heel haar lichaam. Kijk, overal ‘blauwe vlekken’.” Zei Dr Duchéne die eentalig Franstalig was.
Geen sprake van verdrinking, ze was al dood voor ze in het water terechtkwam,” klonk het bloedernstig uit de mond van een wetsdokter met meer dan 40 jaar ervaring.
“Zonde van zo’n schoon vrouw,” mompelde Gaston terwijl eveneens door zijn knieën ging en een blik wierp op het ontzielde lichaam van Tatjana. “En dit amper een maand na het overlijden van haar man?”
“Oui, Elle n’a pas pu profiter longtemps de son heritage,” antwoorde Dr Duchéne. “Ze heeft niet lang kunnen genieten van haar erfenis,”
“Een erfeniskwestie,” reageerde Alain. “Dat kan nog plezant worden. Ruziënde familieleden die e schuld in elkaars schoenen schuiven. Gewoonlijk slepen dat soort zaken heel lang aan.”
“Niet te hard van stapel lopen betweterke,” reageerde Gaston. “Het is nog niet zeker of dit wel te maken heeft met haar erfenis. Misschien is het wel een passioneel drama. Ik kan me niet voorstellen dat een jonge deerne als Tatjana lang op droog zaad blijft zitten.”

Intussen groeide het aantal nieuwsgierige mensen in het straatje alsmaar aan en verspreide het nieuws over wat er met Tatjana gebeurd is als een lopend vuurtje.
“Diene Zwachtel zit hier achter hein,” zeiden de mensen. “Ik heb het altijd al gezei dat diene ‘metteko’ voor niks deugde.”
Dan arriveerde Ludwig in zijn Porsche. Toeterend raasde hij door de mensenmassa, mensen moesten achteruit springen om niet overreden te worden. “Wat is er gebeurd?” vroeg hij aan de rechercheurs terwijl agenten hem probeerden tegen te houden.”
“De echtgenote van je vader werd dood aangetroffen op de bodem van het zwembad,” zei Gaston.
“Zwachtel!” zei Ludwig meteen! “Die gek zit daarachter. Dit moest gewoon zo aflopen. Niet meer of hij wilde Tatjana seksueel benaderen en ze weigerde dat. Maar ja, vader was zo verrekt naïef hé met zijn gedoe over tweede kansen geven. Dieven, verkrachters en moordenaars geef je geen tweede kansen. Die zet je achter de tralies of nog beter. Tegen de muur. Eens crimineel, altijd crimineel. Dat weten jullie beter dan ik, toch?”
“Wie is die… Zwachtel? En waarom noem je hem een crimineel,” vroeg Alain.
“Vader kwam er een paar jaar terug mee op de proppen en liet hem wonen in onze caravan die we eigenlijk toch niet meer gebruikten en al jaren achter de garage stond te verroesten. Hij liet ze achteraan de weide bij het bosje plaatsen en die kerel mocht daarin wonen. Het was maar tijdelijk,” zei hij. “Dat tijdelijk is nu al meer dan vijf jaar en nog altijd maakt die kerel geen aanstalten om zijn boel te pakken en zijn leven op orde te krijgen. Nu weten we waarom. Hij wachtte tot vader dood was en dacht dat het moment aangebroken was om zich aan Tatjana te vergrijpen.”
“Ben je niet een beetje heel erg vooringenomen?” vroeg Gaston terwijl hij zijn hand op Ludwig zijn schouder zette. Wat heeft je vader over die Zwachtel verteld? Wat is eigenlijk zijn echte naam? Kan je me daar iets over vertellen? Zonder in vooroordelen te vervallen?”
“Vader wilde er nooit iets over loslaten, alleen bleef hij maar benadrukken dat hij geen gevaar vormde. Iets teveel naar mijn goesting. Wetende dat mijn opgroeiende zus nog bij hem woonde. Toen Tatjana kwam inwonen ging ze bij haar moeder wonen, logisch ook het boterde niet tussen Caroline en die… ach laat maar.”
“Zo te zien kon Tatjana ook niet veel goeds doen in uw ogen?” merkte Alain op.
Ludwig zuchtte. “Vader was veel te naïef, veel te goedgelovig. Wilde altijd het goede in de mensen zien. Ging daarom altijd voor de vrijspraak, zelfs bij recidivisten. En altijd moest hij het opnemen voor wat hij verschoppelingen noemde. Zonder zich ook maar één keer af te vragen waarom ze door de maatschappij verstoten werden. De meeste van die lui hebben dat toch gewoon aan zichzelf te danken zeker?”
“Ach jongen toch, gij moest niet van Tatjana weten omdat ge minder zou erven als uw vader met haar zou trouwen,” klonk het ineens.

Lucienne, de huishoudster kwam tussenbeide en keek Ludwig met een misprijzende blik aan.
“Ach mens, zevert niet!” zei Ludwig geërgerd. “Gij moest vader altijd verdedigen in zijn beslissingen hé. Kijk, zie wat er van komt. Tatjana is dood, en waar is die Zwachtel? Zit hem nog in zijn caravan? Zo nee, dan weten we genoeg hé!"
“Wie zevert er hier?” vroeg Lucienne boos. “Gij zijt het die nooit genoeg hebt. Uw vader zette een schoon bedrag aan de kant voor u en voor uw zus. Maar voor u is het nooit genoeg. Ah nee, want ge kunt geen geld houden. Hoeveel van dat geld hebt ge al vergokt? Zeg het nekeer! Of denkt ge dat ik het niet weet misschien dat gij heelder dagen in de casino’s rondhangt. Of in dancings en andere etablissementen waar ge achter de vrouwen zit. Dertig jaar en hij is nog altijd niet getrouwd. Meer nog, hij  heeft nog altijd geen deftig lief kunnen houden. En dat heeft dan altijd een oordeel klaar over een ander. Gijse voddevent!”
“Ok, eens het huis van mij is zijde gij de eerste die hier vliegt. Ik ben uw bemoeiziek gedoe zo beu als kouwe pap!” reageerde Ludwig.
“Omdat ge weet dat ik gelijk heb! Snotaap!” reageerde Lucienne bits.
“Zo is het wel genoeg,” zei Gaston. Alain, gij gaat mee met mij naar die caravan om te zien of die Zwachtel – of hoe hij ook mag heten – nog aanwezig is. Jos, Danny, jullie voelen Ludwig Hesters verder aan de tand.
Gaston en Alain stapten naar de caravan.
Gaston was een doorgewinterde rechercheur die je niets meer moest wijsmaken. Hij kende de knepen van het vak en heeft al heel wat onderzoeken tot een goed einde gebracht met zijn intuïtie en zijn onfeilbare mensenkennis. Hij was nu 54 jaar oud en was nu al een jaar benoemd tot hoofdinspecteur bij de gerechtelijke politie en had een team van een tiental rechercheurs onder zich. Meestal opereerde hij in Brussel, maar soms moest hij ook naar het nabijgelegen Pajottenland om moorden en andere complexe misdrijven op te lossen. Hij was groot, kalend en had een kanjer van een bierbuik. Niet zo moeilijk want een goeie geuze of tripel ging er altijd wel in. Gaston was een echte Bourgondiër en hij hield van rijkelijk tafelen en van een goed gevuld glas. Hij was ook een groot wijnliefhebbe en had een wijnkelder met meer dan vijftig verschillende flessen die hij vaak bij de wijnboeren zelf ging kopen in zowat  alle Franse wijnstreken. Gaston is een echte francofiel. Franse wijn, Franse muziek, Franse literatuur en Franse films waren zijn dada. Ook zijn echtgenote Brigitte is een ravissante Française. Ook beheerste hij de Franse taal tot in de puntjes. Hij droomde ervan om eens met pensioen een huis te kopen in het zuiden van Frankrijk om daar dan zijn oude dag te slijten. En hij was eigenlijk van plan om komende week nog naar Frankrijk af te reizen met de bedoeling om naar een mooi huisje uit te kijken. Dat hij nu belast werd met het onderzoek naar de moord op de weduwe van één van de bekendste en roemruchtste advocaten van dit land stak hem dan ook dik tegen.
Maar Gaston meende al te weten hoe hij uit van onder dit lastige en misschien wel lang aanslepende onderzoek zou uit geraken.

vrijdag 26 juni 2026

Ze noemden hem zwachtel.

 





Het weer was grijs en somber.

Het gegalm van bronzen kerkklokken klonk door de stad. Mensen gingen de kerk binnenin hun zondagse kleren. Ook Alain en Deborah waren van de partij in deze kerk in het Brusselse.
Ook al is Alain geen grote kerkganger, hij wilde deze herdenkingsdienst voor de heer Gaston Deboeuf absoluut bijwonen. Want Gaston Deboeuf was niet zomaar iemand voor Alain.
Nee, het was Alain zijn allereerste partner en tegelijk ook zijn eerste overste. Als jonge rechercheur leerde hij van Gaston de knepen en erfde hij de liefde van het vak van rechercheur.
Het was een sobere kerkdienst waarin de priester in zijn homilie het had over de integriteit en het grote rechtvaardigheidsgevoel van wijlen Gaston Deboeuf die eind jaren negentig bij een smartelijk verkeersongeval om het leven kwam.
Alain hoorde het aan met gebogen hoofd en in gedachten verzonken terwijl Deborah zijn hand vasthield. Dan draaide hij het hoofd: “Ik ben blij dat je bij me bent liefste,” zei hij. Deborah glimlachte en wreef dan zacht over zijn rug.
Na afloop begroette hij Florence, de weduwe van Gasten. “Ik ben heel content dat ge gekomen zijt Alain,” zei ze met zachte stem. “Toch iemand van de politie die nog aan mijn man denkt.”
“Gaston was voor veel meer dan een collega Florence,” zei Alain. “Hij was MIJN LEERMEESTER!
En zo zal ik hem altijd benoemen, zolang ik leef.”
“Gaston moet veel indruk op u gemaakt hebben,” zei Deborah toen ze na afloop van de dienst een koffie gingen drinken in een typische Brusselse taverne.
“Ik zei het al liefje,” zei Alain. “Hij was mijn leermeester.
Hij was zeker geen gemakkelijke leermeester en ik heb veel van hem moeten slikken zeker de eerste jaren. Maar na een jaar of vijf begon hij mij te appreciëren, en ik hem. En onze band werd alsmaar hechter. Ik was dan ook razend toen hij verongelukte en men weigerde om zelfs zijn auto verder te onderzoeken. Want ik was er zeker van dat de remmen gesaboteerd. Niet nodig, want hij had 1,0 promille in het bloed. Dus was het gewoon zijn eigen schuld.
Ja, Gaston kwam van een feestje. Ja hij had gedronken. Maar wij waren net bezig in een onderzoek naar de familie Valckeneers en we hadden met ons onderzoek de betrokkenheid van Marcel Leliaert, toen nog Vlaams Minister van Welzijn glashelder blootgelegd. Hij wist niet alleen dat opvoeders met jonge meisjes sjacherden die dan in de bordelen van de Valckeneers terecht kwamen. Wij hadden staalharde bewijzen dat hij de hele handel organiseerde. Helaas zijn die bewijzen samen met Gaston in de vlammen opgegaan. En dat was wat ze wilden.”
Had hij dan die documenten bij zich in de auto?” vroeg Deborah.
“Geen documenten Deborah. Een bandje in zijn dictafoon. Met daarop een zeer bezwarende getuigenis van een getuige die niet lang daarnaa… ‘’’zelfmoord’’’ pleegde.
Als je snapt wat ik wil zeggen.”

Alain dronk zijn koffie en vertelde verder.
Ik herinner mij een zaak waaraan we werkten. ‘De Zaak Zwachtel’.
Het was een heel vreemde moordzaak die zich afspeelde in een klein dorpje in het Pajottenland.
Iedereen dacht dat de dader van de moord op de weduwe van een steenrijke maar zeer controversiële advocaat de man was die hij destijds toestond om in een caravan op een lap grond achter zijn huis te laten wonen. En die na de moord op die weduwe ineens spoorloos verdwenen was.
Maar ‘Zwachtel’ was niet de dader.
Hij was een slachtoffer, maar niet van de moordenaar van Tatjana.
Maar de moordenaar van Zwachtel als de moordenares van Tatjana waren allen uit op hetzelfde.
De erfenis van hun vader.
Nu ja, dat is ook niet waar.
Tatjana werd vermoord uit jaloezie.
De jaloezie van een verwend kreng dat alleen maar aan zichzelf en aan haar eigen pleziertjes dacht.



1989.
Het was een hete zomer dat jaar.
De zomer waarin het IJzeren Gordijn viel en Vlaanderen kennismaakte met het fenomeen Tien Om Te Zien. Die ene zomer waarin iedereen naar de kust wilde omdat de warmte daar tenminste nog draaglijk was.
Maar terwijl iedereen zich op het strand bevond gebeurde er het één en ander in Dorrenaken*, een klein dorpje in het Pajottenland. Een kerk, twee cafés, een frituur op het dorpsplein – waar mensen van heinde en verre op af kwamen – een bakkerij en een kapelletje ter ere van de Heilige Rita – patrones van de hopeloze gevallen – meer was er niet.
Aan de rand van het dorp stond een oud herenhuis verscholen tussen het groen. ‘Huize Rozenrood’ geheten. Dat herenhuis hoorde ooit toe aan de zeer gerespecteerde notaris Hippoliet Vandewiele. Maar na zijn overlijden in 1969 werd de villa gekocht door de gekende Brusselse strafpleiter Edmond Hesters.
Edmond Hesters was een zeer gerenommeerde maar ook zeer controversiële strafpleiter. Zonder schroom ging hij voor de vrijspraak, hoe erg de misdaad ook was. Hij kreeg een verkrachter vrij die zeker drie minderjarige meisjes verkrachtte met zware trauma’s tot gevolg en later ook de dader van een politieke moord. Een Brits anarchist die Zuid-Afrikaans diplomaat op klaarlichte dag neerkogelde voor zijn appartement in de chique Louisalaan in Brussel. Dit leidde tot een zwaar politiek incident, maar daar trok Edmond zich niks van aan. Sindsdien is hij het echt gaan opnemen voor de verschoppelingen en uitgestotenen. Hij pleitte gratis voor daklozen, illegalen en anderen die niet de middelen hadden om een dure advocaat te betalen.
Op een dag stond er een caravan achter de weide achter zijn huis. Die weide en het stuk bos ernaast waren van hem.
In die caravan woonde een ietwat zonderlinge kerel. Een man die in het dorp de tongen los maakte. Vooral omdat niemand eigenlijk wist wie hij was. Buiten Edmond en zijn gezin was er niemand die zijn echte naam kende. Iedereen noemde hem bij zijn bijnaam.

Ze noemden hem zwachtel.

Het was hoogzomer.
De boeren waren druk in de weer met het binnenhalen van de oogst en dat maakte dat er regelmatig tractoren met aanhangwagens vol stro of vol graankorrels door het dorp dokkerden. De lokale jeugd amuseerde zich in één van de sloten die door de akkers slingerden en de ouderen zochten verkoeling in Herberg Sint Gommarus, het enige café in het dorp dat al bestaat sinds 1769. Achter deze herberg bevond zich ooit een heuse geuzestekerij. Maar die activiteit werd zo’n vijftig jaar geleden stopgezet. Dit is het Pajottenland weet je wel? Hier laven de mensen hun dorst met een frisse zurig smakende geuze of kriek.
Herberg Sint Gommarus bevond zich op het dorpsplein aan het begin van kasseiweggetje dat zich door het dorp naar de akkers erom heen slingerde. Het laatste huis langs dat oude weggetje was Huize Rozenrood. Dit statige herenhuis werd vele generaties lang bewoond door Notarissen die elkaar van vader op zoon opvolgde. Maar de laatste telg van deze familie Notaris Hippoliet Vandewiele stierf kinderloos waardoor het huis te koop kwam te staan. Het werd 15 jaar geleden gekocht door de roemruchte advocaat Edmond Hesters.
Edmond was in het dorp de vreemde eend in de bijt. Hij was gescheiden en hertrouwd met de veel jongere Tatjana Kusters. Een ravissante verschijning die nog meer dan haar echtgenoot opviel in het dorp. Tatjana was een kunstenares en terwijl haar echtgenoot aan het werk was in zijn kantoor in het centrum van Brussel of aan het pleiten in de rechtbank. Vulde zij haar dagen met schilderen en beeldhouwen. Af en toe hield ze exposities in het herenhuis waar veel volk op afkwam. De dorpsbewoners zagen het met lede ogen aan en hadden geen hoge pet op van dat volk uit de stad dat op die exposities afkwam. Ach, eigenlijk waren het vooral hun auto’s die ze parkeerden waar er maar plaats was die een doorn in het oog waren van de op hun rust gestelde dorpsbewoners.

Tatjana was in de tuin bezig. Met veel kracht sloeg ze haar hamer tegen de beitel waarmee ze uit een stuk marmer een prachtig beeld probeerde te scheppen. Onverstoorbaar was ze. Tatjana vergat alles en iedereen rond haar en ging helemaal op in haar harde maar scheppende werk.
Verderop in de tuin was een man de rozen aan het snoeien. Groot, breedgeschouderd. Hij droeg een ruitjeshemd en een blauwe werkbroek. Hij liep met een ietwat onhandige en slungelachtige tred waardoor je zou denken dat hij een lichamelijk of geestelijk gebrek had. Maar niets was minder waar. Hij was heel handig en vooral een harde werker. De tuin zag er altijd piekfijn en heel proper uit.
Wanneer hij klaar was met het snoeien van de rozen liep hij naar de schuur om de kruiwagen en een hark te halen. Zijn gezicht was hoekig en verweerd en wat meteen opviel was de zwachtel aan zijn linkeroog. Hieraan had hij zijn bijnaam te danken. Zwachtel.
Intussen hield Tatjana op met beeldhouden, vaagde het steengruis op en deponeerde het in de ijzeren afvalemmer. Dan trok ze haar schort uit, alsook haar T-Shirt, jeansbroek, BH en slip. Naakt liep ze naar het zwembad achteraan in de tuin dat afgeschermd was met grote coniferen. Dat gaf haar de gelegenheid om naakt in het water te plonzen. Wat ze dan ook van plan was. Maar dan zag ze Zwachtel met zijn kruiwagen en ging voor hem staan.
“Hey lieverd, zet je kruiwagen neer en kom mee met mij. Even plonzen in het zwembad, beetje afkoelen.”
“Het werk is nog niet klaar Tatjana,” zei Zwachtel terwijl hij met zijn kruiwagen langs Tatjana passeerde.
“Dat werk loopt niet weg Zwachtel. Kom nou even mee met mij. Even afkoelen in het zwembad en daarna een lekker drankje. Dat is niet gezond hoor, werken in deze hitte. Kom, ik wil geen nee horen,” zei Tatjana terwijl ze Zwachtel bij de hand pakte.

Bij het zwembad knoopte ze zijn hemd los. “Ik kan eigenlijk niet zo goed zwemmen,” zei Zwachtel.
“Wat is dat nou voor onzin? Iedereen kan toch zwemmen. Nou ja, toch iedereen van onze leeftijd. Heb je dat dan nooit geleerd op school?”
“Ik ben eigenlijk nooit naar school geweest,” zei Zwachtel.
“Nee, ga weg joh,” zei Tatjana die eigenlijk uit Nederland kwam. “Hoezo ben je nooit naar school geweest. Zou ik je echt niet geven hoor. Je bent zo intelligent, welbespraakt en vooral je leert zo snel.”
“Dat is de reden waarom ik op latere leeftijd alsnog leerde lezen en schrijven,” zei Zwachtel.
“Dat heeft Edmond mij nog geleerd, voor ik hier kwam wonen.”
“Waar woonde je daarvoor?” vroeg Tatjana.
“Zeg ik niet,” zei Zwachtel terwijl hij zijn hoofd draaide en ongemakkelijk begon te schuifelen.
Tatjana rukte zijn hemd uit en trok zijn onderlijfje naar omhoog. “Werk even mee joh, al je kleren uit. Ja, ook je slip. Jij gaat met mij het water in.”
Zwachtel kleurde rood en wilde weglopen. Maar tegelijk kon hij zijn ogen niet weghouden van de prachtige jonge vrouw die Tatjana was. De jonge echtgenote van de man die hem uit het slop haalde en een nieuwe kans gaf. De enige die nog in hem geloofde.
Tuurlijk had hij Tatjana wel vaker naakt gezien, alsook zag hij het jonge lichaam van Caroline in bikini toen ze nog thuis woonde. Caroline Hesters is de jongste dochter van Edmond. Ze studeert in Leuven en toen Tatjana bij Edmond introk verhuisde Caroline naar haar moeder omdat het echt niet boterde tussen Caroline en Tatjana. Caroline is intussen éénentwintig en dus meerderjarig, dus veel had Edmond er niet aan te zeggen.
Een maand geleden overleed Edmond na een kort maar heftig ziekbed. Vlak voor zijn overlijden maakte hij een testament op waarin hij het huis aan Tatjana overliet. Op voorwaarde dat Zwachtel in de caravan mocht blijven wonen. Voor Tatjana was dat geen enkel probleem want ze kon goed opschieten met Zwachtel. Iets te goed volgens de dorpsbewoners.

Naakt stond Zwachtel voor Caroline. “Jij bent eigenlijk een knappe man weet je dat?” zei Caroline.
“Welnee, ik ben een rare,” zei Zwachtel. “Ik ben alleen goed om in de tuin te werken, verder deug ik nergens voor.”
“Dat wil ik nooit meer horen Zwachtel” zei Tatjana. Jij hebt je talenten en hier onder dat ruwe uiterlijk, zit een hart van puur goud.” Bij die woorden streelde Tatjana Zwachtels behaarde borstkas en gaf ze hem een zacht zoentje op de mond. “Lieverd,” zei ze terwijl ze haar handen rond zijn nek sloeg.
Dan pakte ze zijn handen. “Kom joh nou gaan we een eindje zwemmen.”
“Mijn zwachtel,” klonk het ineens. Zwachtel liet Tatjana’s handen los en zette een stap achteruit.
“Ach, die vervang ik dan straks wel lieverd,” zei Tatjana. Kom nou maar.
Weer pakte Tatjana Zwachtel zijn handen vast en leidde hem in het water. Het was koel maar niet te koud. Toch trok Zwachtel zijn voet terug toen hij het koele water voelde. “Gewoon langzaam in en uitademen, je kan het best,” zei Tatjana.
Zwachtel gleed het water in en volgde Tatjana naar het diepere gedeelte. Hij zwom met onhandige slagen maar het lukte hem wel. “Zie je wel dat je best kan zwemmen lieverd,” zei ze. “Kom, volg me maar.”
Zwachtel volgde Tatjana en zag haar slanke lichaam door het water glijden. De zon gooide haar gensters op het opspattende water waardoor haar lichaam nog mooier en nog sensueler oogde. Aan de rand van het diepe gedeelte wachtte Tatjana Zwachtel op.
Ze opende haar armen en verplaatste zich toen ze zag dat hij naar links ging om ook de rand te bereiken. Ze greep hem vast en trok hem dichter. “Zie je wel dat je het kan,” zei ze terwijl ze hem omhelsde wanneer hij zijn grote handen op de rand plaatste. Ze sloeg haar benen rond zijn bekken en drukte opnieuw haar lippen op de zijne. “Kus me,” zei ze. Zwachtel aarzelde en wilde zich terugtrekken, maar beantwoordde dan toch Tatjana’s kussen vol ingehouden passie. Haar onderlijf ging traag heen en weer en ze zorgde ervoor dat zijn penis over haar kutje gleed. Zwachtel voelde haar schaamhaar prikkelen over zijn eikel, niet meer of hij kreeg terstond een erectie, eigenlijk had hij dat al vanaf het moment dat hij de bloedmooie Tatjana naakt zag.
“Duw je pik tussen mijn benen liefste. Ik hunker zo naar een stevige beurt nu. Nu het kan, nu het eindelijk kan.”
Zwachtel deed wat Tatjana hem vroeg, hij was geen maagd meer en wist hoe de vork in de steel zat. Dit had hij nooit durven dromen, seks met de ravissante echtgenote van Meneer Edmond, die erop stond dat hij gewoon Edmond werd genoemd.
Zwachtel penetreerde Tatjana met krachtige stoten. Tatjana sloeg haar hoofd achterover en staarde gelukzalig naar de blauwe lucht.”Ooooooooh oooooh oooow!!! Harder Zwachtel, laat je gaan. Ik ben helemaal de jouwe lekkere vent! Ooooooh!”
Lang duurde het niet eer hij klaarkwam, maar een potente jonge kerel van vooraan de dertig had niet veel nodig om opnieuw een knoert van een erectie te krijgen en al snel mocht Tatjana wederom genieten van die heerlijke dikke pik tussen haar benen. “Dit is zo onaards,” zuchtte ze voor ze zo heerlijk klaarkwam.

“Godverdomme! Hebt ge van uw leven!” hoorden ze ineens roepen.
Een jonge kerel liep langs de rand van het zwembad en keek Tatjana en Zwachtel met een striemende blik aan. “Godverdomse hoer, zijde gij niet beschaamd! Vaders lijk is nog niet koud en gij ligt al te rampetampen met die schlemiel! VIEZE SLET!”
“Wat doe jij hier?” Zei Tatjana terwijl ze zich uit het zwembad hees. “Wil je wel eens maken dat je uit mijn huis bent? Schaamteloos stuk vreten!”
“Uw huis?” zei Ludwig Hesters, de enige zoon van Edmond. “Dat zal dan niet meer voor lang zijn. Want ik heb bezwaar ingediend tegen dat testament van vader. En zoals de zaken er nu voor staan zou ik wel eens gelijk kunnen krijgen. Ik zou maar al beginnen met je koffers te pakken als ik van jou was.”
“Ach zeikerd, je bluft,” zei Tatjana terwijl ze Ludwig vol diepe minachting aankeek. “Denk je soms dat ik niet weet dat je op je vader zijn huis uit bent omdat je je eigen erfenis erdoor hebt gejaagd?
Ga nog wat gokken, of de grote jan uithangen in Knokke. Gadverdammese praatjesmaker!”
“En gij zijt ook een schaamteloos stuk vreten hé. Is dat jou dank voor alles wat vader voor je deed. Zijn echtgenote neuken terwijl zijn lijf nog koud is. Ik wil je hier weg! Echt waar, ik walg van je ziekelijke spast dat ge daar staat! Ik heb nooit begrepen waarom vader zijn tijd stak in een sukkel zoals jij!”
“Tuurlijk begrijp jij dat niet. Jou vader had iets wat jij niet hebt. MENSELIJKHEID!
En nou opzouten!” zei Tatjana waarna ze de inhoud van de geopende fles wijn naar Ludwig zijn hoofd keilde. Ziedend van woede verliet hij het huis van zijn vader en stapte hij in zijn Porsche 911 Cabriolet.

woensdag 24 juni 2026

Zuiders leven.

 





Dag lieve mensen.

Warm hé.
De weerman voorspelt temperaturen die wel eens vlotjes over de 35 graden zouden kunnen springen. Maar het zijn vooral de nachtelijke temperaturen die mij zorgen baren.
Kijk maar eens. Minimumtemperaturen van 25 graden. EN DAT HIER AAN ZEE!


Dit is iets wat mensen die in de grote steden wonen al langer kennen. Dat door de dichte bebouwing en het vele beton de hitte blijft hangen en de nachten heet en ondraaglijk maakt.
Maar ik woon zoals je weet aan de Belgische kust en daar hebben we gewoonlijk op tijd en stond een verkoelend briesje.
Nu niet dus.
25 graden, ’s nachts.
En dan moet je weten dat de minimumtemperaturen pas tegen de ochtend bereikt worden.
Ik moet er geen tekeningetje bij maken hé.

Iemand vertelde mij dat dergelijke temperaturen in pakweg Thailand heel normaal zijn en dat het openbare leven daar gewoon doorgaat.
Kan.
Maar hey! Drop een Thai op een grauwe herfstdag met middagtemperaturen van ongeveer 15 graden in ons land. Wat gebeurt er denk je? Jawel, die mens verrekt van de kou.
“Ja maar bij ons gaat het leven gewoon door bij 15 graden.”
Daar heeft die mens dus niks aan hé. Voor hem is het koud, en voor ons zijn temperaturen van meer dan 35 graden gewoon warm. Punt.




Viva La Siësta!
Ik prijs mij gelukkig dat ik deze week niet meer moet werken. Dat ik net voor deze periode een paar dagen verlof heb ingepland toen ik mijn verloven invulde.
Dat maakt dat ik kan doen wat het beste is tijdens een hittegolf als deze. Leven als een zuiderling.
Deze morgen stond ik vroeg op, nam een verkwikkende douche en nog voor het nuttigen van mijn eerste kopje koffie deed ik mijn lieve hondjes hun harnasjes om en ging ik op pad met een zak met waterfles en drinkbakje. En ik ging op pad, naar de bakkerij achter een brood.
Er waaide een licht briesje en de temperatuur was nog draaglijk, al werd het wel warm toen ik thuiskwam. Er stond een flinke wachtrij want de bakkerij waar ik naartoe ging was de enige die open was. En met mijn broodje keerde ik dan op mijn gemak terug naar huis. Zoveel mogelijk in de schaduw om mijn lieve hondjes en dan vooral hun pootjes te ontzien. Bij de kerk liep ik zelfs door het grasveld alleen al om die reden.

En dan kwam ik thuis. Ik zette de computer aan en volgde het nieuws. Ik vernam dat onder andere Ben Crabbé stopt het presenteren van zijn programma Blokken.
De ventilators draaien, ik heb een fles koel water bij mij en ik doe zo weinig mogelijk. Het is draaglijk en dat is wat telt. Straks ga ik een dutje doen, al dan niet met wat rustige muziek in mijn oortjes. En ik vaag mijn kloten aan de rest van de dag. Ja dat moet af en toe eens kunnen.

Dit is hoe ze het in het zuiden doen. Alles rustig aan tijdens de dag en ’s avonds wanneer het koeler wordt komen ze dan buiten. Flaneren door de straten, tapas eten, socializen.
En dan rond tien uur eten ze hun hoofdmaaltijd. Laat hé. Maar ja, in warm weer krijg je echt geen hap door de keel.
Ik denk dat dat gewoon de beste optie is op een warme dag als deze.
Maar troost je, er komen koelere dagen aan. Volgens de prognoses wordt het volgende week een stuk koeler. En ik ben er blij om.




Lieve mensen.
Hou het koel, hou het veilig en draag zorg voor elkaar.
Laat je je hoofd niet zot maken door die roeptoeters (Toet! Toet!! Toet!!!) op sociale media. Dit weer is niet normaal en als je je onbehaaglijk voelt bij deze warme, dan is dat zeer perfect te begrijpen. En niet iedereen heeft een zwembad binnen handbereik, of zelfs een tuin.
En voor deze die moeten werken op deze dag. Drink voldoende, doe het rustiger aan en onthoud dat je maar twee handen heb. En vooral, hou moed!

Bel eens met je ouders of andere oudere mensen die je kent en laat weten dat je er voor hen bent. Loop eens langs bij de buren en pols hoe het met ze gaat.
Dit haalt veel meer uit dan commentaar geven op sociale media en je laten vangen in de fuik der eeuwige verontwaardiging.
Of zet gewoon even alles uit behalve de ventilator en pak een goed boek.
Lezen is nooit tijdverspilling.

maandag 8 juni 2026

De ambacht van het schrijven.




Dag lieve mensen.

Vanochtend scrolde ik tussen het drinken van mijn ochtendkoffie op de app van The Guardian. En daar viel mijn oog op een opiniestuk over het gebruik van Artificiële Intelligentie (AI) bij het schrijven van verhandelingen door universiteitsstudenten.
Het punt dat de schrijver van dat artikel wilde maken is dat de lezer van een artikel, verhandeling of gelijk welke tekst het recht heeft om te weten of en in welke mate er gebruik werd gemaakt van AI.

Artificiële Intelligentie is niet meer weg te denken uit onze maatschappij. In amper vijf jaar tijd zijn chatbots zoals ChatGPT, Google Gemini of Claude gemeengoed geworden. Zelfs op Google kan je nu ook gerichte vragen stellen die dan beantwoord worden door de AI modus die je op de klassieke zoekmachine kan vinden.
Chatbots zijn een goede hulp in die zin dat je niet meer urenlang het internet moet afschuimen op zoek naar de gewenste informatie. Die bot doet dat in uw plaats. Of het nu gaat over het zoeken van originele hondennamen met een M, recepten met bloemkool maar zonder witte saus of het stellen van gecompliceerde vragen over bijvoorbeeld je belastingaangifte.
Maar luie scholieren of studenten kunnen zo’n chatbots ook vragen om spreekbeurten te schrijven of een boekbespreking over een boek dat ze HELEMAAL NIET GELEZEN HEBBEN!
Ja sorry, maar moest ik een zoon hebben die zich aan zo’n dingen bezondigt. Er zou een serieuze DONKERPREEK volgen. Daar kan je donder op zeggen.

Helemaal te gortig wordt het als je weet dat meer dan 77% van de zelfhulpboeken die je op Amazon kan kopen waarschijnlijk met of door AI zijn geschreven. En van alle nieuwe muziek die op je streamingplatform wordt geupload is nu al 44% met AI gemaakt (bron).
Moeten we ervoor beducht zijn dat AI een bedreiging wordt voor schrijvers, muzikanten, illustrators en anderen die een creatief beroep uitoefenen?
IK HOOP VAN NIET!



En eerlijk gezegd…
Ik kan mij dat ook niet voorstellen dat dit ooit gaat gebeuren.
Ik kan mij niet voorstellen dat mensen zitten te wachten op een boek dat door AI wordt geschreven op basis van een paar simpele vragen gesteld door iemand die denkt op die manier snel geld te verdienen.
Misschien dat dit voor dingen als zelfhulpboeken het geval kan zijn. Of voor gespecialiseerde vakliteratuur voor bijvoorbeeld IT mensen. Maar ik kan mij echt niet voorstellen dat een zielloos computerprogramma de creatieve ziel van een menselijke verhalenverteller kan vervangen.
En muziek geschreven door AI, dat kan toch weinig meer zijn dan lift of supermarktmuziek. Dat was sowieso al muziek van een bedenkelijk allooi. Dus veel verschil zal dat dus niet maken.
Maar ik luister graag naar muziek met een ziel, muziek dat met gevoel gemaakt is. Ik zoek op Youtube graag dingen als oude jazz of tegenwoordig zelfs klassieke muziek op. Als ik alleen in de auto zit kan het al eens gebeuren dat ik Klara opzet in plaats van de veel beluisterde popzenders. Gewoon omdat ik het gehad heb met het zoveelste geprefabriceerde plastic popriedeltje, vaak met een sample van een vergeten pophit van jaren terug erdoor. Nee sorry, maar ik heb het daarmee een beetje gehad.

Eerbied voor het ambacht.
Schrijven is een ambacht net als pottenbakken, mandenvlechten, houtsnijden of koken met verse ingrediënten. Een verse bolognesesaus is iets heel anders dan zo’n veel te zout gedrocht uit blik of plastic verpakking. En laat tien mensen een bolognesesaus maken en je hebt tien verschillende sausen met elk een eigen smaak en textuur.
En dat geldt ook voor geschreven teksten. Ieder heeft zijn eigen schrijfstijl, zijn manier van zaken formuleren en om dingen uit te leggen. Die eigenheid, dat is toch de charme van het geschreven woord. Mij maak jen niet wijs dat een chatbot of iets dergelijks zoiets kan vervangen.
Dat zou alleen maar vervlakking en verschraling zijn. En sorry hé. Maar dat moeten we dus echt niet willen.

Dit is dan ook niet zomaar een blogbericht. Dit is een manifest. Een oproep tot respect voor het geschreven woord. Een oproep voor eerbied voor het ambacht van het schrijven. Een oproep om ook opnieuw massaal te gaan bloggen of op een andere manier het geschreven woord, de geschreven tekst de aandacht en de eerbied te geven die het verdient.
Laat ons meer lezen. Laat ons meer schrijven. Laat ons het geschreven woord weer de aandacht en de eerbied geven die het verdient.

Ik, voor we internet hadden.


HIERBIJ BELOOF IK PLECHTIG!
Dat ik elk blogbericht en elk verhaal eigenhandig met mijn tien vingers uittyp en dat ik voornamelijk gebruik maak van mijn eigen creativiteit en verbeeldingskracht.
Artificiële Intelligentie gebruik ik enkel voor het opzoeken van informatie en het verwerken van door mij gestelde vragen.
Ik vertrouw op mijn eigen hersenen, mijn eigen intelligentie, mijn eigen gedachten en mijn eigen verbeeldingskracht. Wat ik op mijn blog staat is een onderdeel van mijn leefwereld en van mijn gevoelens en diepste gedachten. Dit is dus uniek en van mij en geen enkele chatbot of ander programma kan dit op eender welke manier dan ook verbeteren.

Ik verplicht mij hiertoe uit eerbied voor het schrijverschap en uit respect voor alle schrijvers bekend of onbekend die mij hebben geïnspireerd, hebben doen nadenken en mij inzicht hebben gebracht. Ik verplicht mij hiertoe omdat ik besef dat we in een maatschappij leven waarin we het van onze hersenen moeten hebben. En met onze hersenen is het als met onze spieren: if you don’t use it, you loose it. Als je het niet gebruikt dan gaat het verloren. En het laatste wat ik wil in mijn leven is dat ik cognitief achteruit zou gaan en mijn geheugen het zou gaan laten afweten omdat ik verzaak om mijn hersenen correct en regelmatig te gebruiken.
Ik haal ook veel voldoening uit het schrijven. Ook al is dat het schrijven van een eenvoudig dagboekbericht. Ik haal er voldoening en inspiratie uit, en die inspiratie komt dan bij het herlezen van wat ik enige jaren terug schreef. Het doet me ook beseffen hoe mijn gedachten en opinies evolueren. Het is ook maar normaal dat je nu anders denkt dan pakweg tien jaar geleden. Iemand die nooit van mening verandert is iemand die NIET NADENKT!

Technologie moet ten dienste staan van de mens. Het moet ons ondersteunen, het moet een hulp zijn. Wij mogen er niet afhankelijk van worden. Daarop probeer ik mij ook op te leggen om niet constant te zitten scrollen, en ik leg mezelf op om af en toe een boek ter hand te nemen, ook al gebeurt het dat het te lang duurt eer dat nog eens gebeurt. En ik stel mij vragen bij de manier waarop al dat digitale aan ons wordt opgedrongen. Hier schreef ik enkele jaren terug een artikel over.
Maar tegelijk is technologie zoals het internet de enige manier waarop ik veel van mijn volgers/lezers kan bereiken. En ja, ik geef toe dat het internet mijn leven heeft verrijkt.
Hey, ik leerde mijn grote liefde kennen op Facebook.