zaterdag 27 juni 2026

Ze noemden hem Zwachtel 2

 




Terzelfdertijd in café Sint Gommarus.
“Bon, ik geef nen tournee,” zei Georges Bertels terwijl hij wenkte naar Jefke, de waard van het café.
Josef Vermeire, door iedereen gemeenschappelijk Jefke genoemd baatte al sinds jaar en dag deze authentieke herberg uit. Net zoals zijn vader, grootvader en overgrootvader dat deden. Als van kleinsaf aan moest hij meehelpen in het café. Biervaten vervangen, bierbakken sorteren en leeggoed triëren, glazen spoelen, tafels afruimen en meehelpen in de keuken. En als hij daar oud genoeg voor was mensen bedienen. Het café houden werd hem met de paplepel ingegoten en niet alleen het café houden. Zijn café was niet alleen gastheer van talloze verenigingen zoals de duivenbond, de lokale voetbalploeg en de ambachtskring. Maar hij was er ook lid van. Hij hield zelf meerdere duiven die mooie prijzen wonnen en zijn hobby was manden vlechten en ook daarmee oogstte hij bewondering bij de andere ambachtslieden. Maar de meeste tijd bracht hij door in zijn café en dan nog het liefst van al achter zijn toog.
Jefke begon te tappen, voornamelijk geuze, dat was het bier dat hier het meest gedronken werd. Maar ook gewoon pilsbier vloeide hier rijkelijk. Voor enkele dames aan een tafeltje bij het raam schonk Jefke witte wijn in en voor de oudste van de dames een porto. Jef kende van alle klanten hun voorkeur en vroeg ernaar wanneer ze binnenkwamen, zoals het een goed cafébaas betaamde.
“Zeg, komt Zwachtel hier niet meer?” vroeg Marcel Lippens, terwijl hij een slok van zijn geuze nam.
“Nee,” zei Jefke. “Sinds dat Edmond dood is zien we hem hier niet veel meer. Ja, op de dag van de begrafenis is hij nog langs geweest na de koffietafel, samen met Tatjana en nog een paar dames die ik niet ken. Ze hebben buiten op het terras gezeten en daar wat gepraat en na twee bestellingen waren ze alweer weg.
“Dat hij hier maar wegblijft,” zei Georges. “Hoe minder da ‘k zijne kop hier zie hoe liever. Kan ik tenminste ook nekeer kaarten.”
“Dat ge nie kon kaarten is uw eigen fout hé Georges,” zei Marcel. “Als Zwachtel mee kaart dan staat gij altijd uw plaats af.”
“Tuurlijk da. Ik wil niet gezien worden aan nen tafel mé diene ‘metteko’. Dan val ik nog liever dood, goe geweten,” zei Georges met luide stem terwijl hij hard op de toog bonkte.
“Waar zat den Edmond toch met zijn gedachten om dei pee binnen te pakken, da verstoan ik naa echt nie se. Ik had gedoecht da dee zijn schup ging afkoise naa dat den Edmond zijne kop heeft neergelegd. Mor nee, dei bleft dor mor in die caraven achter ’t huis van den Edmond. Ne mens zou peinzen dat die twee iet te doen hemme me mekaar.”
“Dat zou mij nog nie verwonderen ook,” zei Jacques Decoster, een klein pezig mannetje met witte pet die tussen Georges en Marcel kwam staan om nog een pint te vragen.
“Volgens mij liet Edmond diene Zwachtel op zijn vrouw kruipen, omdat ze niet op een ander zou ghoan. Stel u voor die vindt nen andere vrijer en die gaat dan samen met hem d’er vandoor met den Edmond zijn centen. Verstade wa da ‘k wil zeggen?”

Marcel hoorde het aan, dronk in één teug zijn geuze uit en draaide zich naar Jacques. “Verstaat gij eigenlijk wel zelf wat ge daar allemaal zit te lullen?” vroeg hij. “Edmond ontfermde zich over Zwachtel omdat hij die jongen een nieuwe kans wilde geven. Een jongen die anders misschien in de goot zou terechtgekomen zijn,” zei Marcel die de verontwaardiging voelde opborrelen. Ik heb veel met Zwachtel gepraat hé, en dat is een hele goeie jongen. Heel welbespraakt en vooral, die heeft iets in zijn kopke zitten?”
“Waarom gaat hem dan geen serieuze job zoeken?” vroeg Georges. “Zal ik het u zeggen? Hij komt nergens aan de bak omdat het ne godverdomse crimineel is. Nen dief, en misschien ook nog ne verkrachter. Geen serieuze mens wil dat in zijn commerce, zeg dat ik het u gezegd heb. En meer woorden maak ik aan dei charlatan niet vuil.” Dan dronk Georges zijn glas leeg en stond hij recht.
“Als die erfgenamen van de Edmond diene Zwachtel niet buiten zwieren dan zal ik er nekeer voor zorgen dat hem zijn boel kan pakken. Want vergeet niet dat dat illegaal is hé ergens in een caravan gaan wonen waar het u goed uitkomt. Nog ne goeien dag,”
Met die woorden verliet Georges het café en stak hij zijn pijp op terwijl hij naar huis wandelde. Ook Jacques nam zijn pint en zette zich weer aan zijn tafeltje waar hij verder zijn krant las.
“Ja,” zei Jefke. “Die jongen raakt hier maar niet aanvaard hé. Ook al doet hij niemand kwaad.”
“Ach, ge kent de mentaliteit hier in ’t dorp hé Jefke,” zei Marcel. Als ge niet zijt zoals zij, dan hoorde d’er niet bij en wordt ge verstoten. Van Edmond moesten gasten als Georges en Jacques ook niks hebben. Tot ze in de puree zaten, dan stonden ze rap aan den Edmond zijn deur. De godverdomse hypocrieten. Bon geeft er mij nog ene en pakt maar al een spel kaarten. “Mannen! Wie heeft er goesting in een spelleke?” vroeg hij voor heel het café

’s Anderendaags, vroeg in de ochtend.
De nevelen hingen nog rond de zacht glooiende heuvels van het Pajottenland. De vogels zongen al volop hun ochtendlied en Floribert Vermeulen was al vroeg in de weer in zijn moestuin. De sperzieboontjes moesten dringend geoogst worden. Hij wist dat hij altijd wel een mooie partij boontjes kwijt kon aan zijn buurman Edmond, maar die is vorige maand overleden. Hij hoopte dat zijn jonge weduwe Tatjana ook wel zin had in een lekker fris boontje. Ze hoefde ze niet zelf te kuisen of te koken, dat zou de meid wel doen.
Dat was Lucienne Van Ackere. 64 jaar en destijds als veertienjarige begonnen als meid bij wijlen Notaris Hippoliet Vandewiele. Toen die overleed was het Floribert – gemeenschappelijk Flor genoemd – die een goed woordje deed voor Lucienne bij de nieuwe buurman advocaat Edmond Hesters. Maar Flor weet niet dat het vooral oudere zus Gracienne Van Ackere was die Edmond overtuigde.
Flor bukte zich en begon aan zijn taak, het plukken van de boontjes. Ondanks het vroege uur as de zon al flink aan het branden. “Dag Flor,” hoorde hij ineens. Hij rechtte zich en hoorde de stem van Lucienne. “Dag Lucienneke, schoon weer hé vandaag.”
“Ja, het gaat warm worden ze. Ik zou niet te lang in den hof werken als ik van u was. Ge krijgt een zonneslag voor ge het weet.”
“Mijn boontjes moeten binnen Lucienneke,” zei Flor. “Anders gaan ze kapot. Ge weet gij ook in den hof is ’t werk nooit gedaan hé.”
“Da’s just Florke,”
zei Lucienne. “Doe voorzichtig hé.”
Flor werkte verder. Zijn moestuin was zijn lange leven. Zijn moestuin en zijn duiven want Flor was een verwoed duivenmelker en met zijn duiven heeft hij al heel veel mooie prijzen gewonnen.
Dan ineens schrok hij op van een kreet die door merg en been ging. “Lucienne!” zei Flor terwijl hij recht veerde.
Flor liep het huis in en dan langs de poort om het herenhuis heen naar achter in de tuin. Bij het zwembad zat Lucienne op haar knieën met haar handen voor haar mond.
Flor kwam bij het zwembad en toen zag hij iets liggen op de bodem…
“Godverdomme!! Zeg dat het niet waar is,” prevelde hij terwijl hij een kruisteken sloeg.

Een uur later.
Politiewagens vulden het kleine kasseiweggetje en mannen in uniform als in burger liepen af en aan. In de tuin zochten politiemannen naar sporen terwijl mannen van het parket alles minutieus gadesloegen.
Bij het zwembad zat wetsdokter Valére Duchéne geknield bij het levenloze lichaam van Tatjana Kusters. Hij draaide het lichaam naar links en betastte haar hals. Bij hem stonden Hoofdinspecteur Gaston Deboeuf en zijn jongere partner Alain Donck. Gaston porde zijn partner en sprak hem aan. “Ewel betweterke, wat denkt ge? Moord of een ongeluk?”
“Ik zie al van ver rode vlekken rond haar hals, die de vorm van een hand hebben. Ik zou zeggen wurging. Moord dus.”
“Ge leert bij ket, ge leert bij,” zei Gaston die een geboren Brusselaar was en ofschoon hij zich in vlekkeloos ABN uitdrukte regelmatig Brusselse uitdrukkingen bezigde. “Ge gaat gij nog nen echte speurder worden. Dik tegen mijn verwachtingen in,” zei hij cynisch. Toch sloeg hij kameraadschappelijk zijn arm rond zijn jonge protegé.
“Ill’ya de raison, hij heeft gelijk,” ze Dr Duchéne terwijl hij het lichaam van Tatjana terug op haar rug legde. “Elle a eté étranglée, ze werd gewurgd. En ze kreeg duidelijk ook een paar flinke klappen en trappen te incasseren voor ze stierf. Dat zie je aan ‘les taches bleu’ over heel haar lichaam. Kijk, overal ‘blauwe vlekken’.” Zei Dr Duchéne die eentalig Franstalig was.
Geen sprake van verdrinking, ze was al dood voor ze in het water terechtkwam,” klonk het bloedernstig uit de mond van een wetsdokter met meer dan 40 jaar ervaring.
“Zonde van zo’n schoon vrouw,” mompelde Gaston terwijl eveneens door zijn knieën ging en een blik wierp op het ontzielde lichaam van Tatjana. “En dit amper een maand na het overlijden van haar man?”
“Oui, Elle n’a pas pu profiter longtemps de son heritage,” antwoorde Dr Duchéne. “Ze heeft niet lang kunnen genieten van haar erfenis,”
“Een erfeniskwestie,” reageerde Alain. “Dat kan nog plezant worden. Ruziënde familieleden die e schuld in elkaars schoenen schuiven. Gewoonlijk slepen dat soort zaken heel lang aan.”
“Niet te hard van stapel lopen betweterke,” reageerde Gaston. “Het is nog niet zeker of dit wel te maken heeft met haar erfenis. Misschien is het wel een passioneel drama. Ik kan me niet voorstellen dat een jonge deerne als Tatjana lang op droog zaad blijft zitten.”

Intussen groeide het aantal nieuwsgierige mensen in het straatje alsmaar aan en verspreide het nieuws over wat er met Tatjana gebeurd is als een lopend vuurtje.
“Diene Zwachtel zit hier achter hein,” zeiden de mensen. “Ik heb het altijd al gezei dat diene ‘metteko’ voor niks deugde.”
Dan arriveerde Ludwig in zijn Porsche. Toeterend raasde hij door de mensenmassa, mensen moesten achteruit springen om niet overreden te worden. “Wat is er gebeurd?” vroeg hij aan de rechercheurs terwijl agenten hem probeerden tegen te houden.”
“De echtgenote van je vader werd dood aangetroffen op de bodem van het zwembad,” zei Gaston.
“Zwachtel!” zei Ludwig meteen! “Die gek zit daarachter. Dit moest gewoon zo aflopen. Niet meer of hij wilde Tatjana seksueel benaderen en ze weigerde dat. Maar ja, vader was zo verrekt naïef hé met zijn gedoe over tweede kansen geven. Dieven, verkrachters en moordenaars geef je geen tweede kansen. Die zet je achter de tralies of nog beter. Tegen de muur. Eens crimineel, altijd crimineel. Dat weten jullie beter dan ik, toch?”
“Wie is die… Zwachtel? En waarom noem je hem een crimineel,” vroeg Alain.
“Vader kwam er een paar jaar terug mee op de proppen en liet hem wonen in onze caravan die we eigenlijk toch niet meer gebruikten en al jaren achter de garage stond te verroesten. Hij liet ze achteraan de weide bij het bosje plaatsen en die kerel mocht daarin wonen. Het was maar tijdelijk,” zei hij. “Dat tijdelijk is nu al meer dan vijf jaar en nog altijd maakt die kerel geen aanstalten om zijn boel te pakken en zijn leven op orde te krijgen. Nu weten we waarom. Hij wachtte tot vader dood was en dacht dat het moment aangebroken was om zich aan Tatjana te vergrijpen.”
“Ben je niet een beetje heel erg vooringenomen?” vroeg Gaston terwijl hij zijn hand op Ludwig zijn schouder zette. Wat heeft je vader over die Zwachtel verteld? Wat is eigenlijk zijn echte naam? Kan je me daar iets over vertellen? Zonder in vooroordelen te vervallen?”
“Vader wilde er nooit iets over loslaten, alleen bleef hij maar benadrukken dat hij geen gevaar vormde. Iets teveel naar mijn goesting. Wetende dat mijn opgroeiende zus nog bij hem woonde. Toen Tatjana kwam inwonen ging ze bij haar moeder wonen, logisch ook het boterde niet tussen Caroline en die… ach laat maar.”
“Zo te zien kon Tatjana ook niet veel goeds doen in uw ogen?” merkte Alain op.
Ludwig zuchtte. “Vader was veel te naïef, veel te goedgelovig. Wilde altijd het goede in de mensen zien. Ging daarom altijd voor de vrijspraak, zelfs bij recidivisten. En altijd moest hij het opnemen voor wat hij verschoppelingen noemde. Zonder zich ook maar één keer af te vragen waarom ze door de maatschappij verstoten werden. De meeste van die lui hebben dat toch gewoon aan zichzelf te danken zeker?”
“Ach jongen toch, gij moest niet van Tatjana weten omdat ge minder zou erven als uw vader met haar zou trouwen,” klonk het ineens.

Lucienne, de huishoudster kwam tussenbeide en keek Ludwig met een misprijzende blik aan.
“Ach mens, zevert niet!” zei Ludwig geërgerd. “Gij moest vader altijd verdedigen in zijn beslissingen hé. Kijk, zie wat er van komt. Tatjana is dood, en waar is die Zwachtel? Zit hem nog in zijn caravan? Zo nee, dan weten we genoeg hé!"
“Wie zevert er hier?” vroeg Lucienne boos. “Gij zijt het die nooit genoeg hebt. Uw vader zette een schoon bedrag aan de kant voor u en voor uw zus. Maar voor u is het nooit genoeg. Ah nee, want ge kunt geen geld houden. Hoeveel van dat geld hebt ge al vergokt? Zeg het nekeer! Of denkt ge dat ik het niet weet misschien dat gij heelder dagen in de casino’s rondhangt. Of in dancings en andere etablissementen waar ge achter de vrouwen zit. Dertig jaar en hij is nog altijd niet getrouwd. Meer nog, hij  heeft nog altijd geen deftig lief kunnen houden. En dat heeft dan altijd een oordeel klaar over een ander. Gijse voddevent!”
“Ok, eens het huis van mij is zijde gij de eerste die hier vliegt. Ik ben uw bemoeiziek gedoe zo beu als kouwe pap!” reageerde Ludwig.
“Omdat ge weet dat ik gelijk heb! Snotaap!” reageerde Lucienne bits.
“Zo is het wel genoeg,” zei Gaston. Alain, gij gaat mee met mij naar die caravan om te zien of die Zwachtel – of hoe hij ook mag heten – nog aanwezig is. Jos, Danny, jullie voelen Ludwig Hesters verder aan de tand.
Gaston en Alain stapten naar de caravan.
Gaston was een doorgewinterde rechercheur die je niets meer moest wijsmaken. Hij kende de knepen van het vak en heeft al heel wat onderzoeken tot een goed einde gebracht met zijn intuïtie en zijn onfeilbare mensenkennis. Hij was nu 54 jaar oud en was nu al een jaar benoemd tot hoofdinspecteur bij de gerechtelijke politie en had een team van een tiental rechercheurs onder zich. Meestal opereerde hij in Brussel, maar soms moest hij ook naar het nabijgelegen Pajottenland om moorden en andere complexe misdrijven op te lossen. Hij was groot, kalend en had een kanjer van een bierbuik. Niet zo moeilijk want een goeie geuze of tripel ging er altijd wel in. Gaston was een echte Bourgondiër en hij hield van rijkelijk tafelen en van een goed gevuld glas. Hij was ook een groot wijnliefhebbe en had een wijnkelder met meer dan vijftig verschillende flessen die hij vaak bij de wijnboeren zelf ging kopen in zowat  alle Franse wijnstreken. Gaston is een echte francofiel. Franse wijn, Franse muziek, Franse literatuur en Franse films waren zijn dada. Ook zijn echtgenote Brigitte is een ravissante Française. Ook beheerste hij de Franse taal tot in de puntjes. Hij droomde ervan om eens met pensioen een huis te kopen in het zuiden van Frankrijk om daar dan zijn oude dag te slijten. En hij was eigenlijk van plan om komende week nog naar Frankrijk af te reizen met de bedoeling om naar een mooi huisje uit te kijken. Dat hij nu belast werd met het onderzoek naar de moord op de weduwe van één van de bekendste en roemruchtste advocaten van dit land stak hem dan ook dik tegen.
Maar Gaston meende al te weten hoe hij uit van onder dit lastige en misschien wel lang aanslepende onderzoek zou uit geraken.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten