Alain en Gaston stonden voor de caravan van Zwachtel. De deur was dicht maar niet gesloten, ze stapten meteen naar binnen. De caravan stond aan de overkant van de weide die achter het huis van wijlen Edmond Hesters lag. Aan de rand van een bosje dat eveneens op zijn grond lag. Het was een oude caravan die helemaal onder een laag groen zat en ietwat scheef stond omdat één van de banden van de vier wielen waarop de caravan ruste lek was.
Het interieur was rommelig en het bed dat zich achteraan bevond was niet
opgemaakt. In het kleine keukentje stond bij het aanrecht een berg afwas en op
het elektrisch fornuis een vuile pan en pot met nog resten spaghetti in en ook
op de tafel in de zithoek stond een bord met nog een restje spaghetti bolognese
in. Alsook een stapel boeken. Ook in de zetel lagen meerdere boeken,
“Hmmm best wel zware lectuur,” dacht Alain terwijl hij een boek nam en erin
bladerde. Naast de zetel stond een pick-up waarop een plaat van Led Zeppelin
lag. “En een muziekliefhebber is het ook,” zei hij dan.
“In alle geval, hij is er niet,” zei Gaston. “De vogel is gaan vliegen en daar
zal hij vast zijn reden voor hebben.”
“Ik twijfel echter aan het vrijwillige van zijn vlucht,” zei Alain. “Kijk hier,
een doos vol zwachtels en gaasverband en een fles ontsmettingsalcohol. Weten we
meteen waarom ze hem zwachtel noemen.
Als hij echt wilde vluchten, waarom nam hij dan zijn zwachtels en
ontsmettingsalcohol niet mee. Waarom zou hij riskeren dat zijn letsel ontsteekt
met alle gevolgen van dien.”
Gaston legde zijn hand op de schouders van Alain “Goed opgemerkt… Alain,” zei
hij dan.
“Ik laat de caravan verzegelen en daarna gaan we in die herberg in het dorp ene
drinken. Want ik zou graag iets met u willen bespreken. ONDER VIER OGEN!”
Alain en Gaston
verlieten de caravan en nadat hij de commissaris van de gemeentepolitie de
opdracht had gegeven om de caravan te verzegelen trok hij met Alain naar
Herberg Sint Gommarus. Daar werden de gebeurtenissen van de dag druk besproken.
“En!” riep Marcel Lippens die aan de toog zat en zich omdraaide toen hij de
twee rechercheurs zag binnenkomen. “Hebde gijlen diene Zwachtel al te pakken?”
vroeg hij.
“We zijn ermee bezig,” zei Gaston.
“Ja, daarmee dat gijlder tijd hebt om hier te komen pinten pakken zeker?
Gaston en Alain negeerden de opmerkingen van Marcel en ze gingen aan een tafel
in een hoek van de herberg zitten. “Patron, twee geuze’s alstublieft,” vroeg
Gaston terwijl hij naar de waard knikte.
Josef bracht de heren twee schuimende glazen geuze. “Meneer, vertel eens. Hoe
stond die Zwachtel aangeschreven in het dorp?”
Josef zuchtte. “Niet bij iedereen even goed,” zei hij in alle eerlijkheid.
“Kijk, ik heb er nooit problemen mee gehad. Hij kwam hier regelmatig kaarten.
Betaalde alles stipt en zocht nooit twist. Een heel sociale en joviale mens
waar niks op aan te merken is. Maar ja, zo’n ruige kerel met een zwachtel op
zijn linkeroog en een ietwat houterige manier van lopen. En niemand die weet
wie hij is of zelfs niet wat zijn naam is. Tja, tuurlijk dat de mensen
speculeren hé meneer.
Ik kan eerlijk gezegd niet geloven dat hij zoiets gedaan heeft,” zei Josef met
gedempte stem.
“Wij gaan er alsnog niet van uit dat hij de dader is. Maar we willen hem wel
vinden om van zijn kant te horen wat er gisteren echt gebeurd is.”
“Dat begrijp ik heren,” zei Josef. “Geniet van jullie bier.”
Nadat beide heren
hadden geproost nam Gaston een flinke slok van zijn bier en keek Alain dan
recht in de ogen. “Alain, ik zou u om een verzoek willen vragen,” zei hij.
“Ik luister,” zei Alain.
“Ik zou willen dat jij de leiding neemt over het onderzoek,” zei hij meteen ter
zake komende.
“Ik? En waarom dan?” vroeg Alain.
“Omdat ik in u geloof,” zei hij. “Zeker na je opmerkzaamheid daarnet in de
caravan.
Nu ja, ik geloof al een poosje in je talent, maar ik liet het niet merken. Ik
bleef je ‘betweterke’ noemen ofschoon jij al lang geen betweterke meer bent.
Meer nog, jij bent één van de beste partners die ik heb gehad. Je leert bij, je
denkt mee, je kijkt verder dan je neus lang is. Jij hebt alles in je om een
uitmuntend speurder te worden Alain.
Dit is je kans om je te bewijzen. En ik zeg er meteen bij. Je zal het helemaal
alleen doen want ik zal niet te bereiken zijn. Je hebt de kans om te tonen dat
je wel degelijk iets geleerd hebt in die vijf jaar dat we samenwerkten.”
“Ik ben zeer vereerd chef,” zei Alain. “En ik zal je niet teleurstellen.”
“Je moet vooral zien dat je de commissaris en de andere hoge niet teleurstelt
Alain,” zei Gaston. “Want jij zal diegene zijn die hen rapporteert en op de
hoogte houdt van het onderzoek. En ik verzeker je Alain. Dat is het moeilijkste
deel van het vak van rechercheur. Die hoge heren in hun eikenhouten bureaus die
hun wereld bestaat alleen maar uit procedures, statistieken, cijfers en vooral
hun relaties met de politiek, de pers en de publieke opinie. Ze willen kunnen
pronken nietwaar. Ze willen kunnen uitpakken niet alleen met resultaten maar
ook met hoe stipt de procedures gevolgd worden, hoe goed hun relatie is met de
allerhoogste kringen en al die dingen. En wat doen ze dan bij elk rapport, bij
elke overlegmoment. Lastige vragen stellen, je tegenhouden, je onder druk
zetten.
Daar ga jij nu moeten leren mee omgaan Alain. Want dat deel is jou nog veel te
onbekend en ik wil dat daar verandering in komt.
“Chef, is het niet gewoon dat gij uw verlof wilt oppakken dat ge dreigt mis te
lopen nu we deze zaak voorgeschoteld krijgen.”
Gaston stak zijn duim omhoog en knikte minzaam. “Gij gaat snel begrijpen waarom
ik zo hard snak naar deze vakantie Alain. Grijp deze kans gewoon jongen, en doe
je best.”
“Dat zal ik zeker doen chef,” zei Alain.
Alain stond er nu
alleen voor. Gaston had zijn idee al met Commissaris Guillaume Van Oudheusden
besproken waarna deze Alain op zijn kantoor ontbood.
Guillaume Van Oudheusden zat kaarsrecht achter zijn bureau. Zijn uniform was
smetteloos en zijn haar keuring in een splitsing gekamd. Ook zijn fijne grijze
snorretje was tot op de millimeter getrimd. “Inspecteur Donck, bij deze benoem
ik u dus tot hoofdinspecteur ad interim tot Hoofdinspecteur Deboef terug is uit
verlof. U hebt de volledige leiding over het onderzoek in het dossier rond de
moord op Tatjana Kusters. En in dien verstande verwacht ik dat u mij keurig en
stipt rapporteert en vooral dat u geen eigengereide initiatieven neemt zonder
mij daarin te kennen.
Ik verwacht van u dat u in deze wat meegaander zult zijn dan uw collega en weet
dat ik in uw geval hier veel strenger zal op toezien. Want in tegenstelling tot
uw collega Deboeuf kunt u niet beroepen op een formidabele staat van dienst.
Hou dit vooral in gedachte Hoofdinspecteur ad interim Donck.”
“Ja commissaris,” zei Alain onderdanig. Hij keel vol ontzag naar commissaris
Van Oudheusden die strak voor zich uitkeek en geen greintje emotie toonde. Hij
vroeg zich af hoe Gaston er toch in slaagde om het gezag van de man voor hem te
trotseren. Maar hij zou snel de noodzaak hiervan begrijpen.
Dan trok hij terug naar zijn eigen bureau en besprak hij met zijn collega’s
rechercheurs de volgende stappen. Hij bekeek het dossier van Ludwig, de zoon
van Edmond Hesters en hij snapte al snel dat de man behoorlijk in de schulden
zat. Zijn accountancy kantoor dat hij had opgericht met de centen van zijn
vader zat diep in de rode cijfers en er was sprake van zware gokschulden. Hij
stond op de zwarte lijst van zo goed als alle casino’s van ons land en dat
wilde toch wel wat zeggen. Hij sprak zijn collega Serge Hinnekindt aan,
wij gaan die Ludwig eens een bezoekje brengen. Want ik vond dat hij wel heel
erg zijn best deed om onze aandacht naar die Zwachtel te leiden.
Tony en Gilles, jullie gaan naar het dorp en proberen zoveel mogelijk te weten
te komen over die Zwachtel, wie hij is, wat de dorpelingen van hem dachten. En
probeer ook contact te zoeken met de entourage van wijlen Edmond Hesters, wie
weet zijn er daar wel mensen die meer over die Zwachtel weten.”
Dan knikte hij naar Serge. “Kom vriend, er is nog veel werk aan de winkel,” zei
hij.
Alain en André
begaven zich naar Brussel. Serge Hinnekindt was even oud als Alain en was net
vader geworden van een zoontje. Hij is een plichtsbewuste en zeer precies
werkende rechercheur met oog voor detail. Maar tegelijk hield hij zich liever
op de achtergrond. Maar daar trok Alain zich niets van aan. “Als rechercheur
moet ge onder de mensen durven komen,” zei hij. “Ik voer het woord en ge
probeert te onthouden welke woorden ik gebruikt en hoe Ludwig daarop reageert.
Ludwig Hesters runde zijn accountancybedrijf vanuit een protserig kantoor met
uitzicht over de chique Avenue Louise. Met enige tegenzin ontving hij Alain en
zijn collega Serge op zijn kantoor.
“Zouden jullie niet beter achter die Zwachtel aangaan?” vroeg hij korzelig.
“Straks zit die klootzak in het buitenland en jullie zitten hier jullie tijd te
verdoen met eerzame en hardwerkende burgers lastig te vallen.”
“U hoeft ons niet te vertellen hoe wij ons onderzoek moeten voeren Meneer
Hesters. Zwachtel staat gesignaleerd en alle politiediensten alsook de
grensposten werden gevraagd naar hem uit te kijken. Wat wel behoorlijk moeilijk
is als we zijn echte naam niet kennen. Echt geen enig idee wie die man is?”
“Hoe zou ik dat weten. Vader hield dat allemaal voor zichzelf. Hij is dood en
wij weten nog altijd niet wie of wat we op ons domein hebben. En dat allemaal
door zijn naïeve wereldbeeld hé.”
“Laten we het eens over u hebben?” vroeg Alain. “Waar was ui gisterenavond
tussen achttien en tweeëntwintig uur?”
“U verdenkt mij,” zei Ludwig terwijl hij een intimiderende houding aannam.”
“In deze fase van het onderzoek verdenken wij iedereen meneer Hesters,” zei
Alain.
Dan ineens ging
de deur open en een jonge vrouw kwam binnen, molenwiekend met haar armen.
“Ludwig, je ne peux pas entrer dans le maisons de papa!” riep ze vol
verontwaardiging. “Ik raak niet binnen in het huis van papa. De politie wil me geen
toegang verschaffen.”
“Mais enfin Caroline,” zuchtte Ludwig terwijl hij het gesprek onderbrak
en op de jongedame afstapte. Ze hand lang licht krullend blond haar dat ze in
ene diadeem had opgestoken. Ze droeg een chique rood kleedje dat tot boven de knie
uitkwam en welks ze combineerde met zwarte nylons en ze liep op modieuze
schoenen met hoge hakken. Het was duidelijk dat deze jongedame op geen cent
keek als het over mode en accessoires ging. “Tu ne peux pas frapper avant d’entrer?
Kan je niet kloppen voor je binnenkomt?”
“je ne peux pas entres dans le maisons de papa!” herhaalde Caroline
stampvoetend. “Faites quelque chose! Doe iets!”
“Dag juffrouw,” zei Alain in het Nederlands. “Ik ben Hoofdinspecteur ad interim
Alain Donck van de gerechtelijke politie. Het spijt me maar u kan het huis van
uw vader momenteel niet betreden in belang van het onderzoek naar de moord op
Tatjana Kusters. We willen niet dat er sporen verloren gaan, begrijpt u?”
“Jullie moeten gewoon die freak zoeken die papa in die bouwvallige caravan liet
wonen. Dat moeten jullie doen! Hij is de moordenaar en niemand anders!” riep
Caroline verontwaardigd! Maar blijkbaar vinden jullie het lastig vallen van onschuldige
mensen belangrijker!”
“Zo werkt het niet juffrouw,” zei Alain. “U bent evenzeer verdacht als de
genaamde Zwachtel die u hier respectloos omschrijft als ‘freak’. Zolang er geen
aanwijzingen zijn dat hij het gedaan heeft staan alle pistes open.”
“Bande de fasho’s,” siste Caroline terwijl ze Alain en Serge vol
minachting bekeek.
“Ik zal maar doen of ik dat niet gehoord heb juffrouw. Belediging en smaad aan een
wetsdienaar in functie is strafbaar, dat weet je toch?
Trouwens, waar was u gisterenavond tussen achttien en tweeëntwintig uur?”
“Chez ma mere,” zei Caroline. “Bij mijn moeder. Ik woon bij mijn moeder.
Ik wilde geen minuut langer nog onder één dak wonen met die… ‘pute’.” Zei
Caroline vol minachting.
“Kan ik hieruit besluiten dat de verstandhouding tussen u en Tatjana niet
bijster goed was?” vroeg Alain op rustige toon.
“Cette un pute!” riep Caroline vol venijn. “Het was een hoer. Niets
meer of minder, een hoer die op het geld van vader uit was. Makkelijk hé,
heelder dagen schilderijen en beeldhouwwerken maken die voor geen meter
verkopen, als je toch een vent hebt die je onderhoud. Vader zag me niet meer
staan, het was alleen nog Tatjana die telde. Ik liep gewoon in de weg. Ik, zijn
eigen dochter. En intussen maar kruipen voor dat wijf. Le pauv’con.”
“Je hebt het wel over je vader zaliger,” merkte Alain fijntjes op.
“Mooie vader, van wie je te horen krijgt dat je in de weg loopt. Dat kreeg ik
dus te horen hé. Als zijn eigen dochter! Merde alors.”
“En dan vindt je het vreemd dat ik niet alleen Zwachtel, maar ook je broer als
jijzelf als verdachte beschouw. Kijk Caroline, ik ga nu contact opnemen met je
moeder en vragen of jij gisteren inderdaad de avond bij haar doorbracht.
En u houdt je ter beschikking. En dat geldt ook voor u Ludwig.
Nog een prettige dag.”
Geen opmerkingen:
Een reactie posten