zondag 28 juni 2026

Ze noemden hem Zwachtel 3

 




Alain en Gaston stonden voor de caravan van Zwachtel. De deur was dicht maar niet gesloten, ze stapten meteen naar binnen. De caravan stond aan de overkant van de weide die achter het huis van wijlen Edmond Hesters lag. Aan de rand van een bosje dat eveneens op zijn grond lag. Het was een oude caravan die helemaal onder een laag groen zat en ietwat scheef stond omdat één van de banden van de vier wielen waarop de caravan ruste lek was.

Het interieur was rommelig en het bed dat zich achteraan bevond was niet opgemaakt. In het kleine keukentje stond bij het aanrecht een berg afwas en op het elektrisch fornuis een vuile pan en pot met nog resten spaghetti in en ook op de tafel in de zithoek stond een bord met nog een restje spaghetti bolognese in. Alsook een stapel boeken. Ook in de zetel lagen meerdere boeken,
“Hmmm best wel zware lectuur,” dacht Alain terwijl hij een boek nam en erin bladerde. Naast de zetel stond een pick-up waarop een plaat van Led Zeppelin lag. “En een muziekliefhebber is het ook,” zei hij dan.
“In alle geval, hij is er niet,” zei Gaston. “De vogel is gaan vliegen en daar zal hij vast zijn reden voor hebben.”
“Ik twijfel echter aan het vrijwillige van zijn vlucht,” zei Alain. “Kijk hier, een doos vol zwachtels en gaasverband en een fles ontsmettingsalcohol. Weten we meteen waarom ze hem zwachtel noemen.
Als hij echt wilde vluchten, waarom nam hij dan zijn zwachtels en ontsmettingsalcohol niet mee. Waarom zou hij riskeren dat zijn letsel ontsteekt met alle gevolgen van dien.”
Gaston legde zijn hand op de schouders van Alain “Goed opgemerkt… Alain,” zei hij dan.
“Ik laat de caravan verzegelen en daarna gaan we in die herberg in het dorp ene drinken. Want ik zou graag iets met u willen bespreken. ONDER VIER OGEN!”

Alain en Gaston verlieten de caravan en nadat hij de commissaris van de gemeentepolitie de opdracht had gegeven om de caravan te verzegelen trok hij met Alain naar Herberg Sint Gommarus. Daar werden de gebeurtenissen van de dag druk besproken.
“En!” riep Marcel Lippens die aan de toog zat en zich omdraaide toen hij de twee rechercheurs zag binnenkomen. “Hebde gijlen diene Zwachtel al te pakken?” vroeg hij.
“We zijn ermee bezig,” zei Gaston.
“Ja, daarmee dat gijlder tijd hebt om hier te komen pinten pakken zeker?
Gaston en Alain negeerden de opmerkingen van Marcel en ze gingen aan een tafel in een hoek van de herberg zitten. “Patron, twee geuze’s alstublieft,” vroeg Gaston terwijl hij naar de waard knikte.
Josef bracht de heren twee schuimende glazen geuze. “Meneer, vertel eens. Hoe stond die Zwachtel aangeschreven in het dorp?”
Josef zuchtte. “Niet bij iedereen even goed,” zei hij in alle eerlijkheid. “Kijk, ik heb er nooit problemen mee gehad. Hij kwam hier regelmatig kaarten. Betaalde alles stipt en zocht nooit twist. Een heel sociale en joviale mens waar niks op aan te merken is. Maar ja, zo’n ruige kerel met een zwachtel op zijn linkeroog en een ietwat houterige manier van lopen. En niemand die weet wie hij is of zelfs niet wat zijn naam is. Tja, tuurlijk dat de mensen speculeren hé meneer.
Ik kan eerlijk gezegd niet geloven dat hij zoiets gedaan heeft,” zei Josef met gedempte stem.
“Wij gaan er alsnog niet van uit dat hij de dader is. Maar we willen hem wel vinden om van zijn kant te horen wat er gisteren echt gebeurd is.”
“Dat begrijp ik heren,” zei Josef. “Geniet van jullie bier.”

Nadat beide heren hadden geproost nam Gaston een flinke slok van zijn bier en keek Alain dan recht in de ogen. “Alain, ik zou u om een verzoek willen vragen,” zei hij.
“Ik luister,” zei Alain.
“Ik zou willen dat jij de leiding neemt over het onderzoek,” zei hij meteen ter zake komende.
“Ik? En waarom dan?” vroeg Alain.
“Omdat ik in u geloof,” zei hij. “Zeker na je opmerkzaamheid daarnet in de caravan.
Nu ja, ik geloof al een poosje in je talent, maar ik liet het niet merken. Ik bleef je ‘betweterke’ noemen ofschoon jij al lang geen betweterke meer bent. Meer nog, jij bent één van de beste partners die ik heb gehad. Je leert bij, je denkt mee, je kijkt verder dan je neus lang is. Jij hebt alles in je om een uitmuntend speurder te worden Alain.
Dit is je kans om je te bewijzen. En ik zeg er meteen bij. Je zal het helemaal alleen doen want ik zal niet te bereiken zijn. Je hebt de kans om te tonen dat je wel degelijk iets geleerd hebt in die vijf jaar dat we samenwerkten.”
“Ik ben zeer vereerd chef,” zei Alain. “En ik zal je niet teleurstellen.”
“Je moet vooral zien dat je de commissaris en de andere hoge niet teleurstelt Alain,” zei Gaston. “Want jij zal diegene zijn die hen rapporteert en op de hoogte houdt van het onderzoek. En ik verzeker je Alain. Dat is het moeilijkste deel van het vak van rechercheur. Die hoge heren in hun eikenhouten bureaus die hun wereld bestaat alleen maar uit procedures, statistieken, cijfers en vooral hun relaties met de politiek, de pers en de publieke opinie. Ze willen kunnen pronken nietwaar. Ze willen kunnen uitpakken niet alleen met resultaten maar ook met hoe stipt de procedures gevolgd worden, hoe goed hun relatie is met de allerhoogste kringen en al die dingen. En wat doen ze dan bij elk rapport, bij elke overlegmoment. Lastige vragen stellen, je tegenhouden, je onder druk zetten.
Daar ga jij nu moeten leren mee omgaan Alain. Want dat deel is jou nog veel te onbekend en ik wil dat daar verandering in komt.
“Chef, is het niet gewoon dat gij uw verlof wilt oppakken dat ge dreigt mis te lopen nu we deze zaak voorgeschoteld krijgen.”
Gaston stak zijn duim omhoog en knikte minzaam. “Gij gaat snel begrijpen waarom ik zo hard snak naar deze vakantie Alain. Grijp deze kans gewoon jongen, en doe je best.”
“Dat zal ik zeker doen chef,” zei Alain.

Alain stond er nu alleen voor. Gaston had zijn idee al met Commissaris Guillaume Van Oudheusden besproken waarna deze Alain op zijn kantoor ontbood.
Guillaume Van Oudheusden zat kaarsrecht achter zijn bureau. Zijn uniform was smetteloos en zijn haar keuring in een splitsing gekamd. Ook zijn fijne grijze snorretje was tot op de millimeter getrimd. “Inspecteur Donck, bij deze benoem ik u dus tot hoofdinspecteur ad interim tot Hoofdinspecteur Deboef terug is uit verlof. U hebt de volledige leiding over het onderzoek in het dossier rond de moord op Tatjana Kusters. En in dien verstande verwacht ik dat u mij keurig en stipt rapporteert en vooral dat u geen eigengereide initiatieven neemt zonder mij daarin te kennen.
Ik verwacht van u dat u in deze wat meegaander zult zijn dan uw collega en weet dat ik in uw geval hier veel strenger zal op toezien. Want in tegenstelling tot uw collega Deboeuf kunt u niet beroepen op een formidabele staat van dienst. Hou dit vooral in gedachte Hoofdinspecteur ad interim Donck.”
“Ja commissaris,” zei Alain onderdanig. Hij keel vol ontzag naar commissaris Van Oudheusden die strak voor zich uitkeek en geen greintje emotie toonde. Hij vroeg zich af hoe Gaston er toch in slaagde om het gezag van de man voor hem te trotseren. Maar hij zou snel de noodzaak hiervan begrijpen.
Dan trok hij terug naar zijn eigen bureau en besprak hij met zijn collega’s rechercheurs de volgende stappen. Hij bekeek het dossier van Ludwig, de zoon van Edmond Hesters en hij snapte al snel dat de man behoorlijk in de schulden zat. Zijn accountancy kantoor dat hij had opgericht met de centen van zijn vader zat diep in de rode cijfers en er was sprake van zware gokschulden. Hij stond op de zwarte lijst van zo goed als alle casino’s van ons land en dat wilde toch wel wat zeggen. Hij sprak zijn collega Serge Hinnekindt aan, wij gaan die Ludwig eens een bezoekje brengen. Want ik vond dat hij wel heel erg zijn best deed om onze aandacht naar die Zwachtel te leiden.
Tony en Gilles, jullie gaan naar het dorp en proberen zoveel mogelijk te weten te komen over die Zwachtel, wie hij is, wat de dorpelingen van hem dachten. En probeer ook contact te zoeken met de entourage van wijlen Edmond Hesters, wie weet zijn er daar wel mensen die meer over die Zwachtel weten.”
Dan knikte hij naar Serge. “Kom vriend, er is nog veel werk aan de winkel,” zei hij.

Alain en André begaven zich naar Brussel. Serge Hinnekindt was even oud als Alain en was net vader geworden van een zoontje. Hij is een plichtsbewuste en zeer precies werkende rechercheur met oog voor detail. Maar tegelijk hield hij zich liever op de achtergrond. Maar daar trok Alain zich niets van aan. “Als rechercheur moet ge onder de mensen durven komen,” zei hij. “Ik voer het woord en ge probeert te onthouden welke woorden ik gebruikt en hoe Ludwig daarop reageert.
Ludwig Hesters runde zijn accountancybedrijf vanuit een protserig kantoor met uitzicht over de chique Avenue Louise. Met enige tegenzin ontving hij Alain en zijn collega Serge op zijn kantoor.
“Zouden jullie niet beter achter die Zwachtel aangaan?” vroeg hij korzelig. “Straks zit die klootzak in het buitenland en jullie zitten hier jullie tijd te verdoen met eerzame en hardwerkende burgers lastig te vallen.”
“U hoeft ons niet te vertellen hoe wij ons onderzoek moeten voeren Meneer Hesters. Zwachtel staat gesignaleerd en alle politiediensten alsook de grensposten werden gevraagd naar hem uit te kijken. Wat wel behoorlijk moeilijk is als we zijn echte naam niet kennen. Echt geen enig idee wie die man is?”
“Hoe zou ik dat weten. Vader hield dat allemaal voor zichzelf. Hij is dood en wij weten nog altijd niet wie of wat we op ons domein hebben. En dat allemaal door zijn naïeve wereldbeeld hé.”
“Laten we het eens over u hebben?” vroeg Alain. “Waar was ui gisterenavond tussen achttien en tweeëntwintig uur?”
“U verdenkt mij,” zei Ludwig terwijl hij een intimiderende houding aannam.”
“In deze fase van het onderzoek verdenken wij iedereen meneer Hesters,” zei Alain.

Dan ineens ging de deur open en een jonge vrouw kwam binnen, molenwiekend met haar armen.
“Ludwig, je ne peux pas entrer dans le maisons de papa!” riep ze vol verontwaardiging. “Ik raak niet binnen in het huis van papa. De politie wil me geen toegang verschaffen.”
“Mais enfin Caroline,” zuchtte Ludwig terwijl hij het gesprek onderbrak en op de jongedame afstapte. Ze hand lang licht krullend blond haar dat ze in ene diadeem had opgestoken. Ze droeg een chique rood kleedje dat tot boven de knie uitkwam en welks ze combineerde met zwarte nylons en ze liep op modieuze schoenen met hoge hakken. Het was duidelijk dat deze jongedame op geen cent keek als het over mode en accessoires ging. “Tu ne peux pas frapper avant d’entrer? Kan je niet kloppen voor je binnenkomt?”
“je ne peux pas entres dans le maisons de papa!” herhaalde Caroline stampvoetend. “Faites quelque chose! Doe iets!”
“Dag juffrouw,” zei Alain in het Nederlands. “Ik ben Hoofdinspecteur ad interim Alain Donck van de gerechtelijke politie. Het spijt me maar u kan het huis van uw vader momenteel niet betreden in belang van het onderzoek naar de moord op Tatjana Kusters. We willen niet dat er sporen verloren gaan, begrijpt u?”
“Jullie moeten gewoon die freak zoeken die papa in die bouwvallige caravan liet wonen. Dat moeten jullie doen! Hij is de moordenaar en niemand anders!” riep Caroline verontwaardigd! Maar blijkbaar vinden jullie het lastig vallen van onschuldige mensen belangrijker!”
“Zo werkt het niet juffrouw,” zei Alain. “U bent evenzeer verdacht als de genaamde Zwachtel die u hier respectloos omschrijft als ‘freak’. Zolang er geen aanwijzingen zijn dat hij het gedaan heeft staan alle pistes open.”
“Bande de fasho’s,” siste Caroline terwijl ze Alain en Serge vol minachting bekeek.
“Ik zal maar doen of ik dat niet gehoord heb juffrouw. Belediging en smaad aan een wetsdienaar in functie is strafbaar, dat weet je toch?
Trouwens, waar was u gisterenavond tussen achttien en tweeëntwintig uur?”
“Chez ma mere,” zei Caroline. “Bij mijn moeder. Ik woon bij mijn moeder. Ik wilde geen minuut langer nog onder één dak wonen met die… ‘pute’.” Zei Caroline vol minachting.
“Kan ik hieruit besluiten dat de verstandhouding tussen u en Tatjana niet bijster goed was?” vroeg Alain op rustige toon.
“Cette un pute!” riep Caroline vol venijn. “Het was een hoer. Niets meer of minder, een hoer die op het geld van vader uit was. Makkelijk hé, heelder dagen schilderijen en beeldhouwwerken maken die voor geen meter verkopen, als je toch een vent hebt die je onderhoud. Vader zag me niet meer staan, het was alleen nog Tatjana die telde. Ik liep gewoon in de weg. Ik, zijn eigen dochter. En intussen maar kruipen voor dat wijf. Le pauv’con.”
“Je hebt het wel over je vader zaliger,” merkte Alain fijntjes op.
“Mooie vader, van wie je te horen krijgt dat je in de weg loopt. Dat kreeg ik dus te horen hé. Als zijn eigen dochter! Merde alors.”
“En dan vindt je het vreemd dat ik niet alleen Zwachtel, maar ook je broer als jijzelf als verdachte beschouw. Kijk Caroline, ik ga nu contact opnemen met je moeder en vragen of jij gisteren inderdaad de avond bij haar doorbracht.
En u houdt je ter beschikking. En dat geldt ook voor u Ludwig.
Nog een prettige dag.”

 

Geen opmerkingen:

Een reactie posten