dinsdag 4 oktober 2016

Lentebriesje 5



Rosalie werkte zich snel in als nieuwe ploegbazin.
Ze verdeelde de taken, hield de daguren van de werksters bij, telde de afgewerkte stukken en stuurde de meisjes bij waar dat nodig was.
Ze was streng waar het moest, maar ook meevoelend waar dat nodig was.
Meisjes die het moeilijk hadden om welke reden dan ook stak ze een hart onder de riem.
Op een dag riep Madam Graciënne haar op het bureau.
Daar stond een man.
Groot, blond, ongeveer 40 jaar, chique kostuum, bril met een dure montuur, gouden horloge.
Hij stelde zich voor als vertegenwoordiger van een gekend Duits bedrijf dat naaimachines maakte.
Hij wilde een demonstratie geven in het atelier.
Rosalie moest de man wegwijs maken en dan aan haar bazin vertellen wat ze van die machines vond.
Of het de moeite waard was om deze al dan niet te bestellen.
Zijn naam was Joris Ongenae.
Hij was welbespraakt en zeer charmant.
Hij liet zijn oog vallen op de jonge Rosalie en gaf haar complimentjes en ja… Hij probeerde haar rond zijn vingertje te winden.
Nadat de demonstratie erop zat alsook de werkuren.
Vroeg hij haar. “Lieve juffrouw, mag ik u uitnodigen om iets te drinken in het ‘Grand Café’ bij het station”.
Rosalie had nog even tijd en dacht, waarom niet.
En even later zat Rosalie in een kopje koffie te roeren.
Echte koffie, geen erzats of met chicorei of andere zaken aangelengde koffie.
Maar heerlijke en eigenlijk peperdure mokka.
Samen praatten ze wat. Over het werk, over haar familie.
Hij was luisterend en aandachtig. Hij legde zacht zijn hand op de hare.
“Je bent een mooi meisje.
Jij kan het zoveel verder schoppen dan hier als naaister in een fabriek werken.
Jij zou wat cultuur moeten opdoen. Als je wil neem ik je mee naar Gent. Daar loopt momenteel een hele mooie toneelversie van De Vlaschaard."
Rosalie twijfelde, Ze was vereerd door de aandacht die ze kreeg van zo’n voorname heer.
Maar ze dacht aan Charelke.
Maar thuis, dacht men er anders over.
“Allez Rosalie, zo’n deftige mens. Zo’n kans krijgt ge maar één keer. Ga met hem mee.” Zei Tante José.
Ze bleef twijfelen.

Enkele dagen later werd ze weer aangeklampt door een jongen met een briefje.
“Schaarstraat 7, over een uur.”
Ze ging erheen.
De man, die verloofd bleek te zijn met Madame Graciënne zat weer aan de keukentafel.
“Rosalie.” Sprak hij.
“Ik heb nieuws voor je dat je hartje zeer blij zal maken.
Over 14 dagen zal je je geliefde Charles weer in je armen mogen sluiten”.
Bij die woorden glimlachte hij fijntjes.
Hij wist hoe hard Rosalie en Charles naar elkaar verlangden.
En hij gunde het hen wel, ze waren allebei jonge gedreven idealistische mensen die voor zijn organisatie echt wel een meerwaarde betekenden.
Hij had voor hen iets heel moois voorzien in één van zijn plannen.
Nu ja, het was zijn verloofde Madame Graciënne die met het idee op de proppen kwam, omdat ze de inzet en het idealisme van Rosalie zo hard waardeerde.
“Maar.” Voegde hij er in alle ernst aan toe.
“Voor het zover is, zul je het beste van jezelf moeten geven. Want ik heb een zeer speciale opdracht voor jou.
Kijk Rosalie. Ik heb vernomen dat je in het atelier ene Joris Ongenae over de vloer kreeg.
En die meneer heeft meer dan een boontje voor jou.
We weten dat jij met hem gezien bent in het Grand Café bij het station.
Logisch, hij logeert in het ‘Hotel Du Gare’ boven het Grand Café”.
De man nam een slok van zijn kop oploskoffie en keek Rosalie recht in haar ogen.
“Jij Rosalie… Jij moet hem verleiden. Hem rond zijn vinger winden.
Maken dat hij interesse voor je krijgt, goesting krijgt om met u te vrijen.”
Rosalie schrok.
“Meneer, ik weet niet of... "
“Het is erg belangrijk Rosalie.
Joris Ongenae, hij heet eigenlijk Georges maar liet dat ‘vervlaamsen’ tot Joris, is een gevreesde en voor ons zeer gevaarlijke collaborateur.
Hij staat zeer hoog in de rangen van het VNV en dweept met alles wat Duits is.
Hij gelooft in de superioriteit van het Germaanse ras en het Duitse volk.
En doet alles om de bezetter te behagen.
Zijn werk als vertegenwoordiger is eigenlijk niets meer dan een dekmantel om zoveel mogelijk informatie te verkrijgen over ons.
Om deze dan door te spelen aan zijn Duitse vrienden.
Deze man moet gestopt worden.
En wel zo vlug mogelijk.
Want wij hebben vanuit Londen de opdracht gekregen om zoveel mogelijk piloten  naar Engeland over te brengen.
Ze hebben hen nodig, de invasie van de Geallieerden zal niet lang meer uitblijven.
Lekken en verraad kunnen we dus best missen.
Daarom hebben wij besloten om een val uit te zetten om die Joris voor eens en altijd uit te schakelen.
En daarom… Moet jij hem verleiden.
Joris Ongenae, bijgenaamd ‘De Kortrijkzaan’ is gehuwd, hij kan dus niet zomaar met een jonge meid als jij ergens verschijnen.
Als hij met jou wil vrijen dan zal dat vast gebeuren in één of ander duister Rendez-Vous hotelletje.
De ideale plek voor ons om toe te slaan.
Daarom Rosalie.
Verleid hem, toon hem de pracht van je lichaam.
Doe hem goesting krijgen.
En zodra hij verder wil gaan dan alleen maar kusjes geven of wat spelletjes onder de gordel.
Laat het ons weten.
Zodat ons plan verder kan uitgewerkt worden."

Twee dagen later.
Een BMW 327/28 Roadster, bouwjaar 1940 reed met hoge snelheid richting Gent.
Aan het stuur zat Joris Ongenae, met een zelfvoldane grijns op zijn gezicht.
Naast hem zat Rosalie, in een beeldig witte jurk, beetje rouge op haar lieve gezichtje en een mooie parelketting die ooit nog van haar moeder was om haar hals.
Haar nonkel en tante waar ze bij inwoonde hadden er geen flauw benul van dat ze nog kleine onopvallende, maar daarom niet minder belangrijke taken uitvoerde voor het verzet.
En ze gingen er vanuit dat ze Charles allang vergeten was.
En zoals dat vaak ging in die tijd. Ze waren blij dat ze ‘in kennis was’ met een man van goede afkomst, zoals men dat toen zo schoon zei.
Tuurlijk mocht ze met hem mee naar het theater in Gent.
Hij kwam haar halen in zijn dure BMW sportwagen.
Tante José was fier op naar nichtje.
Die werd opgehaald door een deftige heer in een dure wagen.
Nu reden ze in een rotvaart over de Vlaamse wegen.
Rosalie stond versteld. Ze keek naar de snelheidsmeter.
120 km/u. Zo snel had ze zich nog nooit verplaatst.
“Amai zo rap.” Zei ze verwonderd, terwijl Joris het gaspedaal nog dieper intrapte.
“Ja liefje, Duitse technologie. De beste technologie van heel de wereld.
Met deze wagen werden onze Duitse vrienden eerste in de beroemde ‘Mille Miglia’ in 1940.
Dat een prestigieuze autorenwedstrijd in Italië.
Daar toonden de fiere Duitsers hun superioriteit tegenover die decadente Fransen en die zelfgenoegzame Britten.
Wij Vlamingen hebben er alle belang bij om met de Duitsers een verbond aan te gaan.
Hun hoogstaande cultuur staat zeer dicht bij de onze. Dichter dan die frivole cultuur van de Fransen.
Met hun decadentie, hun wufte maniertjes en hun hooghartigheid.
En dan de Britten, compleet vergeven door de Joodse corruptie.
Dat Rosalie... Dat zijn valse vrienden.
Zo jammer dat Vlaamse jongeren dat niet inzien.
En zich laten vangen door die duivelse verleidingen in de vorm van ‘negerswingmuziek’, sigaretten, drank, ondermaatse stationsromannetjes, en dwaze films die hen een verkeerd beeld geven over de verhoudingen tussen man en vrouw.
Het verheugd mij dat ik een mooie Vlaamse jongedame, intelligent en gracieus kan meenemen naar een mooi toneelstuk naar het werk van Stijn Streuvels, één van onze hedendaagse Vlaamse grootmeesters van de literatuur.
Dat is tenminste een nuttig tijdverdrijf, het verheft je ziel en brengt het beste in de mens naar boven.
En dat wil ik Rosalie.
Het beste in jou naar boven brengen.
Jou naar boven tillen.
Je een kans geven om je op te werken in de maatschappij.”
Zo ging hij maar door.
Praatjes… Rosalie besefte het wel.
Ze kende dat soort types wel.
Mooipraters, veel beloftes.
Steeds piekfijn gekleed, grote manieren.
Om indruk te maken op jonge, naïeve meisjes.
In de hoop dat ze erin zouden trappen.
Om hen dan te misbruiken, hun lusten op hun lichamen te botvieren.
En hen dan te dumpen.
Ze hoorde het verhaal van Julia.
Julia De Meyer, een meisje uit het Gentse.
Even oud als Rosalie zelf.
Ze trapte in de mooipraterijen van Joris Ongenae.
Hij beloofde haar een baan, en een kamertje waar ze gratis mocht wonen.
Op voorwaarde dat hij regelmatig bij haar mocht langskomen.
Als hij zin had in een beurt met een jong meisje.
Tot hij vernam dat haar broer bij het verzet was.
Hij wist op slinkse wijze haar uit te vragen. En kwam zo te weten met wie haar broer omging.
Lieden waarvan het ongelukkige meisje niet kon weten dat het ook verzetslui waren.
Om een lang verhaal kort te maken.
Op een zondagmiddag viel de Gestapo binnen toen het gezin De Meyer het zondagse middagmaal aan het verorberen was.
Ook Julia was die dag bij haar familie gaan eten.
Ze werd afgevoerd naar het kamp van Breendonk.
En overleed nauwelijks een maand later aan tyfus. Amper 18 jaar.

Even later parkeerde Joris zijn auto vlak bij de Gentse stadsschouwburg.
Ze stapten uit en betraden de theaterzaal.
Joris koos een plaatsje achteraan.
Er was niet veel volk die avond, het was midden in de week en het stuk liep al enige maanden.
Dus veel volk hoefde men niet te verwachten.
Dat paste zo hard in zijn gluiperige plannetje.
De lichten gingen uit, het stuk begon.
Joris legde zachtjes zijn hand op haar dij.
Rosalie had niets anders verwacht.
Zachtjes trok hij haar jurk naar boven.
Rosalie speelde haar rol, zoals van haar werd verwacht.
En trok haar jurk zo hoog dat haar kanten slipje dat ze speciaal voor deze gelegenheid aantrok zichtbaar werd.
Ze woelde door zijn haren.
Terwijl zijn hand langzaam tussen haar benen schoof.
“Kus me Rosalie.” Fluisterde hij zachtjes.
Rosalie drukte haar lippen tegen de zijne en gaf hem een zachte maar lekkere tongzoen.
Terwijl ze voelde hoe hij in haar broekje ging.
Joris beroerde zachtjes haar clitje, ze werd er lichtjes nat van.
Haar lichaam schokte.
Uitdagend knoopte ze haar bloesje discreet los.
“Ooh Joris.” Fluisterde ze stilletjes, met een licht kreuntje in haar stem.
Hij nam haar hand en legde die ter hoogte van zijn kruis.
Ze voelde zijn geslachtsorgaan.
Hij had een erectie, zoveel was duidelijk.
Speels liet ze haar handen erover glijden.
Zo zaten ze elkaar te betasten en aan elkaar te frutselen als verliefde pubers in de bioscoop.
Diep in haar binnenste walgde ze van die gluiperige geilaard die alleen uit was op haar mooie lichaam.
Maar anderzijds voelde ze een beetje euforie.
Ze had hem waar ze hem hebben wou.
Hij was nu helemaal in de ban van haar.
Hij begeerde haar, wilde zich laven aan haar mooie goddelijke lichaam.
Voor haar voelde het aan als een overwinning.
“Geniet ervan smeerlap.” Dacht ze. Het zal de laatste keer zijn dat je zal kunnen genieten.
Bij die gedachte kwam ze klaar, daar in de pluchen zetels van de Gentse Schouwburg.
Ze kreunde heel zachtjes, alleen Joris kon het horen.
Omdat ze bewust in zijn oor kreunde.
Na in het buffet een glaasje goedkope wijn te hebben gedronken keerden ze huiswaarts.
Weer zette Joris er een flinke vaart in.
Tot op een bepaald moment.
Parkeerde hij zijn auto in de bosjes.
Greep hij Rosalie vast en begon haar te kussen.
Ze streelde zacht zijn haren en beantwoordde zijn kussen door zachtjes met haar tong over de zijne en over zijn lippen te glijden.
In tussentijd knoopte hij zijn broek los en duwde  op haar hoofd.
Naar zijn geslachtsdeel toe.
“Toe schatje, zuig me.” Smeekte hij. "Niemand ziet ons nu, laat het ons geheimpje zijn."
Ze zakte door haar benen en bevredigde hem oraal. Ze hoorde hem kreunen van geilheid.
En kwam in minder dan een minuut klaar.
“Jij bent een begeerlijke vrouw Rosalie.
Je hebt me in vuur en vlam gezet met je kussen en je strelende handen.
Ik wil met jou de liefde bedrijven.
Echt waar Rosalie.
Volgende week maandag in de ‘Top Hat'.
Het rendez-vous hotel vlakbij het station.
Daar kunnen we discreet afspreken.
Ik kom je ophalen en daar kunnen we dan ongestoord elkaar beminnen.
Ik verlang zo naar jou Rosalie.”

Maar intussen.
Kon haar tante niet zwijgen over hoe haar nichtje ‘in kennis’ is geraakt met een heel schone en deftige man met ‘ne chique voituur’.
En wat wil het toeval.
Dat Jean Verdonckt aan de toog zat.
Hij hoorde alles aan. Ineens zette hij zijn halflege glas bier neer stond recht en liep binnensmonds foeterend en vloekend het café uit.
“Hey Jeanke eerst betalen hé kameraad!!!” Riep José uit.
Maar hij luisterde niet en sloeg de deur van het café achter hem met een luide smak dicht.
Jean voelde zich bedrogen.
En was erg teleurgesteld in Rosalie.
Een dure heer in chique kostuum en met een dure sportwagen.
Dan had hij toch goed gezien vorige week.
Hij zag een vrouw instappen in een sportwagen bij het naaiatelier van Madame Gracienne waar Rosalie werkte.
Maar hij kon haar gezicht niet zien.
Hij zag de auto wegrijden naar het station, en dacht dat het dus iemand anders was. Aangezien Rosalie aan de andere kant van de stad woonde.
Maar toen hij daarnet op weg naar het Café De Zwaan in de verte de zelfde sportwagen een straat zag inrijden.
En daarna Rosalie haar tante zo hoorde opscheppen.
Was er geen twijfel meer mogelijk.
Rosalie had voor een man van stand gekozen.
Hier kon hij niet meer tegen op.
Hij was een eenvoudige weesjongen, had geen geld, woonde sinds kort in een klein kamertje boven het atelier van Gaston Torfs de schoenmaker.
Bij wie hij aan de slag was sinds hij het afbolde bij Lowie Klandestien.
Hij   wist intussen al dat Rosalie iets had met Charles Verschelden en het feit dat hij reeds maanden niet meer opdook gaf Jean nieuwe hoop om haar ooit voor zich te winnen.
Dat hij haar bleef afwijzen deed hem pijn.
Hij liet het niet merken, maar toch.
Het bleef knagen.
Ze wilde alleen maar vrienden zijn.
Hij kon haar niet opgeven. Wilde haar niet opgeven.
Om haar liep hij weg bij ‘Lowie Klandestien’.
Hij wilde niet meewerken aan zijn pogingen om via haar namen van verzetslui aan de Duitsers door te spelen.
Hij wilde nogmaals proberen haar voor zich te winnen.
Was om die reden naar het café van haar nonkel en tante gegaan die avond.
En toen… Hoorde hij over haar verhouding met ene Joris Ongenae, een man waarvan hij nauwelijks wist wie hij was.
Jeanke was boos, verbitterd.
Hij had zich op zijn kamertje teruggetrokken met een fles jenever. Sylvain de broer van Gaston Torfs had een illegale stokerij en zodoende waren er altijd flessen jenever in huis, in ruil voor wat rantsoenzegeltjes en een pak boter wist Jean een fles te versieren van Sylvain.
Jean zoop zich te pletter.
Hij voelde zich zo verraden door Rosalie.
“Vrienden zijn, bezorgd zijn om mij. Ze staat me gewoon in mijn bakkes uit te lachen 't godverdomse serpent!!!"
De liefde die hij voelde voor Rosalie ging over in diepe haat.
Haat die met elke slok jenever erger en erger werd.
Woedend keilde hij de kruik jenever die hij zonet had geledigd tegen de muur.
“GODVERDOMSE HOER”!!! Brulde hij.
Toen viel hij neer in zijn bed, en viel in slaap.
Hij sliep zijn roes uit.

De volgende ochtend.
Rosalie had net het pand in de Schaarstraat verlaten.
Ze wilde wegrijden met haar fiets.
Ineens stormde Jean op haar af.
Hij greep haar vast.
“Ah daar zijt ge... Smerige teef!" Siste hij.
“Gij hebt met mij nog niet gedaan gijse valse tik.”
Terwijl hij dat zei sloeg hij Rosalie vlak in het gezicht.
“Hey maat wat is dat met u?” Vroeg ze boos.
“Ge stinkt naar de drank gast, waar zijt gij in godsnaam mee bezig?”
“Dat ik nu weet waarom ge mij altijd afwijst, mij uit de buurt wilt hebben. Ik ben te min voor madame hé. Madame gaat liever op zwier met rijke snobs die met dure sportwagens rondrijden.
Jeanke is te min voor u hé.” Hij gaf haar nog een klap.
“Wat vind Charelke daarvan?
Is die nu ook te min, Een sportvoituur is natuurlijk chiquer dan ne koersvelo hé, 'madame chichi'.”
Ineens gaf Rosalie hem een duw.
Jean viel op de grond.
“Maakt dat ge weg zijt zatlap. En laat u niet meer zien tot ge nuchter zijt, of ik geef u aan bij de gendarmen voor slagen en verwondingen. Hebt ge dat goed verstaan?”
En weg was Rosalie, ziedend van woede. Jean krabbelde overeind.
“Klacht indienen?
Klacht indienen?
Wacht maar trut, Ksal kik nekeer klacht gaan indienen!
Ik stuur den Duits op u af GODVERDOMSE TEEF!!!”

Intussen zat ook een andere oude bekende niet stil.
Louis Van Bossche.
In een louche cafétje ergens bij het station zat hij een jenever te drinken aan een tafeltje.
Hij hield de deur scherp in de gaten met zijn arendsblik.
en wie komt daar binnen?
Jawel hoor... Joris Ongenae.
Louis wenkte hem, en stond recht.
En gaf de man een stevige handdruk.
Hij wenkte de waard. “Patron geeft die mens een glazeke jenever op mijn kosten!"
Hij stond recht en keek de waard dreigend aan.
"Goei jenever hé kameraad!! Genen aangelengden brol hé, of 'k laat uw kot in brand steken verstaan?"
Hij schoof een enveloppe onder Joris Ongenae zijn neus.
“Bekijk dit eens mijn beste.” Zei hij.
Joris opende de enveloppe en trof er enkele foto’s aan.
Op één van die foto’s herkende hij Rosalie, daarvan moest hij toch even schrikken.
En op een andere drie mannen in een kale, smerige ruimte.
Louis grijnsde.
“Kent u dit meisje.” Vroeg Joris.
“Rosalie Dewolf." Antwoordde Lowie.
"Eure naam wordt in één adem vernoemd met die van Charles Verschelden.
Het gerucht ging de ronde dat die twee iets hadden en dat ze samen in het verzet zaten.
Later werd het stil rond hen.
Charles had de stad verlaten, niemand wist waar naartoe.
De mensen namen aan dat Rosalie toch niks met het verzet te maken had, of d'ermee was gestopt.
Maar niks is minder waar zulle.
Dees is het bewijs.
En die drie, dat zijn Engelsen. Ik denk de piloten van diene vlieger die enkele maanden geleden afgeschoten werd.”
Joris bekeek de foto’s aandachtig.
“Nuttige informatie.” Zei hij. "Zeer nuttige informatie.
Waar ze op de Kommandatur in de wolken van zullen zijn.
En bij de Gestapo nog veel meer.
Voor de dag ermee, wat wil je van me”?
“Samenwerken… Zaken doen!
Ik weet dat nogal wat hogere Duitse officieren graag een goed glazeke lusten, en als ze dat voor een prijske kunnen krijgen zullen ze het zeker niet laten liggen.
Gij kent die mannen, Kolonel Erwin Schweinsteiger gaf me uw naam door als zijnde de ideale persoon om in deze contact mee op te nemen.”
“OK." Zei Joris. "Voor de helft van de winst doe ik mee. Maar laten we de details later bespreken.
Ik heb namelijk onverwachts een heel dringende afspraak”.
En weg was Joris.
Nadat hij zijn glas uitdronk.
“U hoort nog van me”, zei hij.

Joris stapte in zijn sportwagen en reed in zeven haasten naar de ‘Kommandatur’.
Liep met stevige tred naar het bureau van ‘Herr Heinrich Klose’, hoofd van de lokale afdeling van de Gestapo en belast met het opsporen en arresteren van verzetslieden.
Hij klopte aan.
“Wer Ist da?” Hoorde hij aan de andere kant van de deur.
"Ich bins, Joris Ongenae, mit sehr wichtige auskunfte." Zei hij.
“Herein.” Hoorde hij. En hij liep binnen.
“Mein guter freund Joris.” Begroette de man hem hartelijk. Waarmee kan ik u van dienst zijn.
Joris toonde de foto’s en vertelde wat hij zonet van Louis Van Bossche had gehoord.
En hoe hij Rosalie leerde kennen in het naaiatelier.
“Ik had meteen door dat er in dat naaiatelier, gerund door een feministe en sufragette interessante informatie zou te rapen vallen. Ik papte wat aan met het meisje dat ze als ‘ploegbazin’ had aangesteld.
En had meteen prijs. Ik heb een heel vette vis rond mijn vinger gedraaid grijnsde hij.
Ik weet zeker dat ze iets van plan is, komende maandag zouden we afspreken in dat rendez-vous hol bij het station. En ik weet zeker dat ze haar vriendjes van het verzet zal optrommelen. Ze denken dat ze mij zullen kunnen uitschakelen… Maar!!!!”
Ondertussen wandelde Jeanke de Kommandatur binnen.
“Was machen sie hier?” Riep een jonge korporaal hem toe.
“Ik kom iemand aangeven, waarvan ik weet dat ze bij het verzet zit.”
“Hier warten.” Brulde de korporaal opnieuw.
Even later moest hij mee, hij werd het bureau van een officier binnengebracht.
In ietwat gebrekkig Nederlands vroeg hij.
“Vertel mich van naaldje tot dradchen, was sie wissen.”
En Jean vertelde over Rosalie, over haar relatie met Charles Verschelden, dat ze brieven ronddeelde en andere taken uitoefende voor het verzet. Dat ze mensen uithoorde en die informatie doorspeelde aan verzetslui.
Veel verzinsels ook.
Uit razernij.
Maar de officier hoorde genoeg.
Hij liep naar boven, waar Herr Heinrich Klose nog steeds met Joris Ongenae aan het babbelen was.
Weer geklop op de deur.
“Herr Klose, hier Commandant Joseph Podolski, Ich habe ihn etwas wichtiges zu melden!!!”
“Wilt u even wachten.” Zei hij tot Joris.
Joris wachtte, vijf minuten… Tien.
Buiten aanhoorde Herr Klose de nieuwe informatie over Rosalie Dewolf uit de mond van Commandant Joseph Podolski.
Hij liep weer naar binnen.
“Kom terug om 8 uur vanavond.” Zei Klose.
Dan houden we spoedvergadering met allen die betrokken zijn met het opsporen en uitschakelen van verzetslui.
HEIL HITLER!!!!” Voegde hij eraan toe.
Joris Ongenae stond kaarsrecht en strekte zijn rechterarm.
“HEIL HITLER!!!!” Herhaalde hij.

Lentebriesje 4



Mei 1944
Naarmate de maanden sinds Stalingrad verstreken en de Duitsers almaar meer verliezen te verwerken kregen.
Werd het leven voor de mensen in de bezette gebieden almaar moeilijker.
De radio’s werden in beslag genomen.
Almaar scherpere controles en almaar meer razzia’s.
De Duitsers werden almaar zenuwachtiger en wantrouwiger.
Ze waren bang voor een eventuele invasie vanuit Groot-Brittannië. En een oorlog op twee fronten konden ze missen als kiespijn.
Daarom hield het verzet zich koest en verliep het leven van Rosalie behoorlijk rustig.
Ze werkte in het atelier, hielp in het café en tussendoor hielp ze waar ze waar ze kon.

Maar er was iets dat haar zorgen baarde, waar ze ongemerkt over liep te piekeren.
Jean probeerde steeds weer avances te maken.
Wilde haar voor zich terug winnen.
Maar na het warme gesprek met Nette had ze de moed gevonden om hem te zeggen wat ze wilde zeggen.
“Lieve Jean, je bent een aardige jongen en ik heb je graag als vriend.
Maar meer dan dit kan er niet langer worden tussen ons.
Ook al zijn de herinneringen die we samen koesteren toch zo mooi.
Er is zoveel gebeurd toen je weg was.
De tijd van onbekommerd spelen en ravotten en van zot doen is voorbij nu.
Er is een andere man in mijn leven, en mijn hart behoort hem toe.
Maar je kan altijd bij me terecht als je ergens mee zit, dat beloof ik je.” Zei ze met een warme stem terwijl ze hem strak in de ogen keek.
Hij voelde dat haar woorden oprecht waren, dat ze meende wat ze zei.
Hij leek het te aanvaarden.
OK Hij liet bloemen afgeven aan het café door één of ander straatjochie.
Of ze vond een briefje in de bus, vaak een zelfgeschreven gedichtje.
Ze begreep hem wel.
Hij had het niet gemakkelijk.
‘Lowie Klandestien’ was een bullebak en niet bepaald zachtaardig tegen hem.
Vaak zag ze het als de vrachtwagen van Lowie ergens geparkeerd stond en Jeanke aan het uitladen was.
Toen zag ze hoe hij Jean behandelde, of beter mishandelde! Hoe hij half zat van de jenever die hij constant liep te drinken tekeer ging tegen die arme Jean.
“Allez vooruit, doe voort, komaan uw uren lopen, luiaard!!!”. Vaak gevolgd door een geduchte klap op Jean zijn achterhoofd.
Alleen in de drukte van haar Nonkel Frans zijn café gedroeg hij zich menselijk.
Maar eens buiten, was het weer van “luiaard, snotjoenk, tamzak, imbeciel, lamme kloot", enzovoort.
Rosalie haar hart brak als ze het zag.
Ze kon het niet hebben.
Jeanke verdient toch zoveel beter, dacht ze dan.

Rosalie.
Ze was zo goed van hart.
Ze voelde oprecht mee met zij die het moeilijk hadden.
Hielp waar ze kon.
In het naaiatelier stopte ze al eens een rantsoenszegeltje in de handen van meisjes die er bleek of vermagerd uitzagen.
Bood een woordje van troost en medeleven.
Zo was ze, zo zou ze herinnerd worden.
“Rosalieke, ze had een hartje van koekebrood.” Zeiden de mensen.
Ze kwam Jeanke tegen, hij zag echt mager en ongezond uit.
Ingevallen wangen, ogen die diep in de kassen zaken.
Een zenuwachtige trek om zijn lippen.
Ze voelde een steek in haar hart toen ze hem zo zag.
“Jeanke, we moeten eens klappen.” Zei ze.
“Nee niet over 'dat ene', ge weet hoe ik daarover denk.
Maar zijt nekeer eerlijk.
Die ‘Nonkel Lowie’, wilt ge daar nu echt voor blijven werken?
Hoe die u behandelt, ge verdient toch veel beter dan dat.”
Bij die woorden wreef ze over zijn warrige ietwat vettige haren.
Jeanke wist niet wat zeggen.
Hij voelde hoe Rosalie met hem inzat, maar diep vanbinnen voelde hij nog altijd een diepe pijn in zijn hart. Pijn omdat ze zich aan een andere man had gegeven.
Pijn die zo diep sneed in hart en ziel als ze hem toesprak met haar lieve stem, en ze hem aankeek met haar warme moederlijke blik.
“‘Nonkel Lowie’ is de enige familie die ik nog heb. Als hij er niet meer is heb ik niemand meer die voor me zorgt.
Dan sta ik op straat.
Daarom doe ik wat hij zegt.
Ook al is het niet gemakkelijk.
Ik slaap op een tochtig zolderkamertje, maar ik heb toch een dak boven mijn hoofd.
Af en toe mag ik met de meisjes die bij hem in het café wonen mee in bed, als ge verstaat wat ik wil zeggen.
Ik vind dat fijn ja.
Maar geen van die meisjes winden me zo op dan gij Rosalie.
Jij was zo spannend, zo fris. Het was zo heerlijk in het bezemkot.”
“Ik weet het." Zei Rosalie.
Maar er is meer dan dat.
Je bent handig, ge kunt werken als een paard.
Gij verdient meer dan dat.
Gij verdient meer dan het slaafje te zijn van die dikke sjacheraar.
Velen zouden een moord begaan voor een leerjongen zoals jij die zo naarstig werkt en zo snel leert.
Denk hierover na lieve Jean. Je bent wel nog altijd mijn maatje hé.
Ik heb altijd zoveel warmte en sympathie voor u gevoeld. En dat zal altijd zo blijven.
Wat er ook mag gebeuren.
Mijn hart kan ik je niet schenken, maar voor de rest mag je alles aan me vragen. Ik zal er zijn wanneer je me nodig hebt.
Ik wil je helpen waar ik kan, Jeanke.
Want nogmaals Jean… Wat er ook gebeurd? Ik zal altijd UW MATEKE ZIJN!!!!”
Bij die woorden gaf ze Jean een dikke knuffel en een zoen op de wang.
“Denk eens goed na over wat je wil doen met je leven Jeanke. Ik maak me zorgen over jou."
“Bedankt Rosalie.” Zei hij schuchter.
En maakte zich uit de voeten.
Om de hoek stond ‘Lowie’ met zijn camion. Jean stapte in  en weg waren ze.

Naast haar bezorgdheid om Jeanke, waren er nog de drie Britten die verscholen zaten in een oude hoeve ver buiten de stad.
Om de drie dagen fietste ze er naartoe met een mand vol voedsel drinken en af en toe een bidon gas om eten mee op te warmen.
En eens ze daar was nam ze de tijd om even met die jongens te praten.
De jongste heette James, hij was 20 jaar, was pas getrouwd en had een dochtertje Shirley.
Hij vertelde dat ze genoemd was naar Shirley Temple, het gekende kindsterretje uit Hollywood in de jaren dertig.
Hij liet een foto zien van zijn dochtertje. Rosalie was vertederd van dit mooie beeld.
“You’ve got a lovely daughter.” Zei ze dan. Terwijl ze met vochtige ogen keek naar een verfrommelde foto van een lief glimlachend kindje.
“Konden we die jongens maar helpen om thuis te geraken, hen uit de klauwen van die ‘vieze stinkende rotmoffen houden’.” Dacht ze dan telkens weer.
Rosalie bleef graag babbelen met die Britse jongens. Hun verhalen over het leven in het verre Engeland fascineerden haar.
En steeds hield ze dan even die jongens hun handen vast, of woelde dan zacht door hun haar. Zo schonk ze hen enige troost, en trachtte ze hen wat warmte en geborgenheid te geven. Daar in die muffe vervallen hoeve waar het vaak koud en tochtig was.
“You’re a good girl.” Fluisterden ze dan zachtjes. Diep geraakt door de warmte en sympathie van dit lieve jonge Vlaamse meisje.
Met spijt in het hart moest ze afscheid nemen, telkens weer.

Dan trok ze naar het naaiatelier om te gaan werken.
Weer raakte ze aan de praat met Nette.
“Nette.” Vroeg ze dan.
“Ik weet dat je hier niet graag over praat.
Maar die ‘Lowie Klandestien’, wat voor iemand was dat?”
Nette zuchtte diep.
Ze wist wel waarom ze dat vroeg.
“Weet je Nette.” Zei Rosalie. Hij kwam Jeanke halen, jaren geleden. Beweerde dat hij zijn nonkel was.
Ik geloof dat niet. Ik vind hem zo louche, zo onbetrouwbaar.”
“Daar heb je alle reden toe.” Zei Nette.
“’Lowie Klandestien’ is zo’n gluiperige mooiprater die alles in zijn voordeel wil regelen.
Ik herinner me nog het gesprek met mijn moeder.
Hij deed zich voor als broer van mijn vader, een verloren gewaande broer die iets wilde terug doen voor zijn familie.
En hij wilde in ruil voor een ferme smak geld mij meenemen naar zijn thuis.
‘Bij mij kan Nette een betere toekomst hebben’ zei hij.
Ma trapte erin, ik moest mee met Lowie.
Maar eens bij hem thuis moest ik me uitkleden, ik weigerde, was bang en beschaamd. Ik alleen met die stinkende vetzak in die smerige achterkeuken. Hij sloeg me dan met zijn grote zweep.
Toen moest ik op de tafel liggen met mijn benen open.
Lowie verkrachtte mij. Ik was nog geen 14 jaar oud Rosalie”. Zei Nette met een snik in haar stem.
Verstaat ge nu waarom ik daar niet graag over praat.
Die klootzak verkrachtte mij en dwong me om me te prostitueren.
Ik moest ‘met venten mee naar boven gaan’.
En me door hen laten neuken in een smerig en vochtig kamertje op een vuil stinkend bed.
Ik geraakte zwanger, hij aborteerde het kindje in mijn buik met een roestige breinaald.
Daardoor zal ik nooit nog kinderen kunnen krijgen Rosalie.
Dat ging zo jaren door.
Toen kwam een dame, het was Madame Graciënne, ze smeet geld op de toonbank, hij moest mij en de andere meisjes die hij dwong zich te prostitueren met haar meegeven, of heel zijn handel zou aan de douane en het gerecht doorgespeeld worden.
Daar was hij als de dood voor.
Ik hoor het hem nog zeggen toen hij mijn zak met kleren van de trap gooide.
‘Scheer u weg duvelsjoenk, ik wil u nooit meer zien vuil hoere'... "
Nette was aan het schreien. Rosalie troostte haar, streelde zacht haar haren.
“Rosalie.” Zei Nette.
“Gij zijt zo’n lieve, zo’n zachte, zo’n meevoelende.
Ik weet wel waarom ge dat vraagt. Gij zijt bezorgd om Jeanke. En ik versta dat.
Ik kan zo voorstellen hoe Lowie hem behandelt.
Ik zag het bij andere jongens. Slaan, schoppen, uitschelden.
Het is een bullebak en een KLOOTZAK!!!”
Nette gaf Rosalie een zoen op haar voorhoofd.
Rosalie pakte Nette eens goed vast.
“Ksien u geiren.” Zei Rosalie.
“Ik u ook Rozeke.” Zei Nette. “Heel hard zelfs, lieve toffe Mie.”
Toen gingen beide meisjes uit elkaar.
De werkdag zat er weer op.
Na een lieve warme knuffel nam Rosalie afscheid van Nette.
Het was helaas de aller, aller, ALLERLAATSTE KEER!!!!.
Dat ze haar lieve vriendin Nette zag.

Die nacht gebeurde er iets vreselijks.
Nette had al een poosje een verhouding.
Met André, een flinke boerenzoon.
Dat kwam ook de andere meisjes in het pension ten goede want van André kreeg ze vaak pensen, worsten, en andere goedkope stukjes vlees van het varken mee. Alsook kool, rapen, aardappelen en ander lekkers van het land.
Maar ja zo’n gezonde boerenzoon wilde daar wel iets voor in de plaats.
En ‘dat’ moest dan wel onopgemerkt gebeuren.
Zonder dat zijn diepgelovige Katholieke ouders het in de gaten kregen.
In de koeiestal, de hooischuur of boven op zolder.
Hij laafde zich aan het mooie lichaam van Nette en Nette zelf liet zich ook helemaal gaan.
“Ooh lekkere boerenvent, geef het me, geef me je liefde, je passie. Geef alles wat je in je hebt !!!”.
En hij gaf het, in alle standjes.
Die fatale avond deed hij dat ook, maar daardoor was toen ze huiswaarts reed de ‘spertijd’ reeds overschreden.
Een paar Duitse soldaten hielden haar tegen, en haalden meteen de inhoud van haar fietsmand eruit.
“Sieht ja nicht zo gut aus fur dich Fraulein. (Ziet er niet zo goed uit voor jou juffrouw)" Zei één van hen met een vettige grijns op zijn gezicht. En hij trok haar van haar fiets.
Eén van hen hield in zijn borstzak een fles ‘Schnaps’. Nu was het Duitse leger in die dagen erg streng.
Werden ze door een officier terwijl ze in dienst waren met een fles Schnaps betrapt, dan zag het er niet zo goed uit voor hen. Maar ja, jonge mannen in dienst in een veel te lange oorlog.
Wat doen ze dan? Foute dingen. Drinken, meisjes lastig vallen…
“Schau mahl deinen körper liebling (toon eens je lichaam schatje)." Zei een andere. Terwijl hij haar van haar fiets sleurde en haar rok naar beneden wilde trekken.
“Hey was soll das (hey wat moet dat)?". Brulde ze terwijl ze één van hen wegduwde.
De andere gaf haar een klap met zijn geweer.
Half versuft viel ze op de grond.
De twee trokken haar dieper de bosjes in en rukten de kleren van haar lijf. Maar Nette kwam sneller dan hen lief was bij haar positieven en begon zich heftig te verzetten.
“Bende Godverdomse smeerlappen !!!!” Brulde ze, en ze gaf één van die soldaten een klap in het gezicht.
Dit maakte hem zo boos dat hij keihard uithaalde.
Hij sloeg haar vol op het hoofd met de kolf van zijn geweer.
Eénmaal, tweemaal, driemaal... Met brute kracht.
Ze viel op de grond en bleef roerloos liggen.
Ze was DOOD!!!!
Beide soldaten zetten het op een lopen, uit schrik voor de zware straf die hen te wachten stond wanneer dit uitkwam.
Een landbouwer vond haar en verwittigde de rijkswacht.

Diezelfde avond.
Lowie Klandestien kwam aan in zijn woning, annex smokkelaarsnest, annex hoerenkot.
"Jean waar zit ge gaase luien duvel!" Brulde hij terwijl hij een gulzige slok nam van de fles jenever die hij van het schap had genomen.
Jeanke was op zijn kamer, één van de vele ‘meisjes van plezier’ was hem oraal aan het bevredigen.
Lowie trok haar van hem weg en duwde haar naar de deur. "Nor beneje vuil hoer, gaat de vuil glazen afwassen en rap een beetje!" Schreeuwde hij.
Daarna beveelde hij Jean om zijn kleren aan te doen.
“Hoe zit dat naa met die Rosalie?” Vroeg hij.
“Wat weette gij van eur?”
Jean kon niet veel antwoord geven.
“Dat ze ’s avonds helpt in het café van haar nonkel, en overdag werkt ze in het naaiatelier.”
“Bij Graciënne ‘de sufragette’.” antwoordde hij cynisch. “Met die smerige feeks heb ik ook nog een serieus eike te pellen.” Zei hij met een ingehouden woede in zijn stem.
“Voor de rest weet ge niet veel van eurr hé.
Heeft ze nog contact met diene paljas van een Charles Verschelden?”
“Nee.”Was het antwoord. "Niet da 'k weet."
Lowie gaf Jean een klap op het achterhoofd.
"Niet da 'k weet zei them... "
Er volgde een tweede klap.
"Niet da 'k weet!
Godjammenas!! Gij zijt toch echt gene cent waard hé, LUIAARD!!!!
Ik denk dat ge meer bezig zijt met “hoe steek ik mijn stang in Rosalie eur preut.” Dan met de opdracht die ik u gegeven heb… Gijsen ONNOZELAAR!!!”
Lowie schold de arme Jean nog maar eens de huid vol.
“Onnozelaar, Stoemekloot, slappe schotelvod, lulhannes, sukkeleir, nietsnut… “ Eindeloos, eindeloos.
Jean kreeg ook heel wat slagen en schoppen te verwerken.
“Kijk hier é menneken… Ik heb contact met ne péé die zeer dicht staat met Generaal von Falkenhausen!!!!”
Hij keek Jean indringend aan, Jean wist niet wat zeggen of doen. Dat stond Lowie die al wat aangeschoten was totaal niet aan.
“Hallooo loemp verken!!!!  Verstade gaa me niet?
Zijde gij pottedoof? Of gewoon LOEMP!!"
Brulde hij keihard in Jean's oor.
"Ik heb het over Ernst Alexander Alfred Herrmann Freiherr von Falkenhausen!!!!!”
Weer kreeg Jean een klap in het gezicht.
“Dat is wel de grote chef van de Duitse bezettingstroepen in België en Noord-Frankrijk hé kameraad!!!” Brulde Lowie hem nog harder in het oor.
“En daarom kunde gaa zien dat ge tegen volgende week een lijst met namen, en als het efkes kan ook adressen en andere gegevens hebt van gasten waarmee dat joenk van een Rosalie zoal mee omgaat.
Ik wil die contactman een lijst met interessante op te pakken verzetsidioten kunnen onder de neus duwen. Want dan weet dieje pee dat we aan hunne kant staan en gaat hem interesse hebben om met ons samen te werken, om ZAKEN TE DOEN!!!
Dan kan ekik cognac, whisky en andere korten drank leveren aan de Duitse officieren over heel België en Noord-Frankrijk.
Snapt ge dat????IMBECIEL!!!
Daarom, windt die Rosalie om uwe vinger, vraag ze uit. Maar houdt uwe 'flosj' onder controle.
Als ge wilt poepen? Hier lopen sletten genoeg rond om er uwen pijp nekeer in uit te kloppen!"
Maar nu werd het Jean teveel.
“Poept uw sletten zelf apsjaar!!!!” Brulde hij.
"Nooit ga 'k Rosalieke verraden... JAMAIS!
Ik zou het mezelf nooit vergeven als ze door mij in de miserie komt.

Rosalie is één van de weinige mensen die echt om me geeft. Die echt bezorgd om me is.
En nee vetpens, ge moet me niet buiten smijten. IK VIND DEN UITGANG ZELF!!!!
SALUT EN DE KOST!!!”

En weg was Jean.
Hij nam een oude fiets die tegen de gevel stond, en reed met krachtige pedaalslagen naar de stad.
Waar hij hoopte nieuw werk en een onderkomen te vinden.
Lowie nam een ferme slok van zijn fles jenever en lachte luid.
Zijn bulderlach galmde door het huis.
Jeanneke, die gewoonlijk achter de toog stond kwam de kamer in en vroeg wat er aan de hand was.
“Och nikske.” Zei Lowie met dikke tong.
“Ons Jeanke is gaan lopen, hihihi.” Lachte hij, terwijl hij een slok van zijn fles jenever nam.
“Gaat ge er niet achteraan?” Vroeg Jeanneke.
“Zijde gaa zot ofwa? Voor wie zijnen heiligen zou kik achter da loemp verken zijn gat moeten ghon lopen? Zeg me dat naa is nekeer.
Hey... Khebbe kik wel ander dienges te doen zulle.
Ik geef hem één week. Eén week lekker Jeanneke.

En hij staat hier terug met hangende pootjes!!!!”
Wederom lachte hij luid, terwijl hij de deur van het kleine zolderkamertje sloot.
“Kom lekker Jeanneke doe maar uw kleren uit en legt u op 't bed, Lowieke heeft goesting.”
Waarna hij zijn lusten botvierde op Jeanneke Stercx. Met haar 27 jaar één van de oudste dame's in dienst van Lowie Clandestien. Zij runde zijn café en bordeel en hield toezicht op de meisjes wanneer hij er niet was.

De volgende ochtend.
Rosalie was weer op weg.
Met eten voor de Britse soldaten.
Ze kruiste een vrachtwagen.
Ze wist niet.
Dat het Lowie Klandestien was die achter het stuur was.
Ze kon hem dan ook nauwelijks zien in het schemerdonker en zat hij hoog in de cabine.
Hij herkende haar wel.
“Hier se doar se, Rosalieke se.
‘Rosalieke van de velomaker'.” Grijnsde hij.
“Waar goade gaa zo vroeg in de morgen noartoe mijn kinneke?” Zei hij luidop.
“Daar wil ik nu toch nekeer 't fijne van weten."
Hij ging aan de kant en draaide snel en niet te opvallend zijn camion in de andere richting.
Hij zag hoe Rosalie een veldweg insloeg.
Hij reed achter haar, op een veilige afstand.
Hield haar in de gaten met de verrekijker die ergens tussen de vele rommel in de cabine lag.
Hij zag hoe ze halt hield bij een oude hoeve.
Ze ging naar binnen.
Hij zette zijn camion aan de kant en sloop naderbij.
Ze liep weer naar buiten.
Hij verborg zich achter een muurtje.
Nam snel enkele foto’s.
Hij zag haar wegrijden op haar fiets, ze vervolgde haar weg in de zelfde richting als voordien.
Daardoor zag ze zijn vrachtwagen niet wat verder aan de kant stond.
Had ze er dus geen enkel idee van dat ze gevolgd was.
Dan werd het stil, hij keek schichtig in het rond.
Er was niemand te bespeuren.
Hij sloop naar binnen.
In een hoekje zag hij drie mannen zitten.
Hij hoorde hen praten.
In het Engels.
Meer moest hij niet weten.
Hij nam nog een foto.
Zonder flits, zodat het risico bestond dat de foto's waarschijnlijk mislukt zouden zijn.
Maar het was intussen al licht geworden en de mannen zaten net onder een raam in het invallende licht.
Dat gaf hem hoop.
Dan ging hij terug naar buiten en wandelde hij terug naar zijn camion.
“Ik heb Jeanke groot bakkes niet meer nodig.
Dees is op zijn eigen al heel interessant." Grijnsde hij.
"Wacht maar bende paljassen van 't verzet hahaha!
Ge gaat zoveel praat niemeer hebben als de Duitsers die foto's onder ogen krijgen."


Rosalie kwam aan in het naaiatelier.
Er heerste een bedrukte stemming.
“Wat is er gaande vroeg ze?”
“Hoe? Weet ge dat dan niet?” Zei één van de meisjes.
"Wat moet ik weten?" Vroeg Rosalie.
Maar toen werd het stil.
Madame Graciënne kwam de zaal binnen.
Ze droeg een zwart kleed.
Leek of ze in de rouw was.
De meeste meisjes begrepen het, zij waren al op de hoogte.
Rosalie niet.
“Lieve medewerksters.” Begon ze.
“Velen weten het al, anderen nog niet.
Maar afgelopen nacht heeft het onheil ons getroffen.
Onze geliefde ploegbazin Henriette Peeters werd afgelopen nacht dood aangetroffen langs een invalsweg hier vlakbij.
Ze werd aangetroffen door een landbouwer en naar ik vernam zag hij ook vlak ervoor enige Duitse soldaten panikerend weglopen.
De Wehrmacht beloofd dat ze die dingen zal onderzoeken, maar ik en velen met mij twijfelen daar zeer zwaar aan.
Wat er ook van zij.
Onze geliefde Henriette, bijgenaamd Nette is niet meer onder ons.
Daarom had ik graag even een minuut stilte gevraagd ter harer nagedachtenis.”
Rosalie verbleekte…
“Nette… Dood??? Dit kon, mocht niet waar zijn."
Ze hield haar handen voor haar gezicht, voelde de grond onder haar voeten wegzakken.
Haar hart werd verscheurd door intens verdriet.
Tranen liepen over haar wangen.
Enkele meisjes zagen het en ondersteunden haar.
Ze wisten hoezeer Nette en Rosalie bevriend waren.
Een week later werd Nette begraven.
Rosalie was ziek van verdriet.
Met betraande ogen stond ze voor de kist.
“Lieve Nette… Ik had u nog zoveel te vertellen.
Jij was als een grote zus voor mij.
Verdomme, waarom toch? WAAROM TOCH???” Zei ze huilend.
De emoties werden haar te machtig.
Na wat er met Nette gebeurde, haatte ze de Duitsers nog meer.
“Iedereen die ik geiren zie pakken die klootzakken van me af.
Mijn ouders, mijn broers en zusje, Nette… Charelke.
Waarom mag ik niet gelukkig zijn?" Huilde ze.
“Waarom moet ik iedereen die ik zo graag zie telkens weer afgeven?”
Nog meer verlangde ze ernaar om Charles terug te zien.
“Ik zou mijn leven voor hem geven, hij is de enige die ik nog heb?” Dacht ze stilletjes als ze weer alleen in haar bedje lag.
Heel af en toe werd er een brief voor haar afgeleverd op het adres in de Schaarstraat waar ze vaak heen moest om instructies te krijgen.
Een brief van haar lieve Charelke.
Die verborg ze en las ze dan thuis op haar kamertje.
Zo las ze op een avond het volgende.

“Mijn lieve Roosje.

Mijn opdracht in Brussel zit er bijna op, dra zal ik instructies krijgen voor een nakende zeer belangrijke opdracht hier bij ons. Een opdracht waar ook voor u een heel belangrijke rol is weggelegd.
Ik kan u nog niks verklappen, maar… We zullen gauw weer samen zijn lieve Roosje !!
Ik kijk er nu al naar uit om jou weer te zien. Om uw zachte mondje te kussen, je in mijn armen te sluiten.
En om nog eens zoals die ene keer tussen de kolenzakken van jou oprechte zoete liefde te mogen genieten.
De pronte juffrouwtjes en kokette ‘mamzellekes’ hier in Brussel proberen mij rond hun vinger te winden.
Maar geen van hen kan u en uw oprechte liefde vervangen.
Hier alleen op mijn kamer heb ik veel nagedacht en mijn besluit is genomen.
Dat jij de enige vrouw voor mij bent. En dat ooit… MIJN kind in jou mooie buikje zal groeien tot een lief schattig ‘boeleke’ dat hopelijk net zo’n schone oogskes heeft als gij.
Lieve Roosje, Lentebriesje.
Ik tel de dagen af tot ons wederzien.
En ik weet dat gij dat ook doet.
Ik heb de vreselijke dingen vernomen, over wat er met uw collega en goeie vriendin op het werk is gebeurd.
Ik weet dat uw hartje vol verdriet zit, en het doet me pijn dat ik er niet zijn kan om jou te troosten.
Maar hou vol lieve Roosje.
Bijt op uw tanden schatteke.
De dag komt dat we elkander in de armen zullen sluiten.
En dat ik u nooit maar dan ook nooit nog zal loslaten.

Een tedere kus voor u op uw zacht mondeke.
xxx
Uw Charelke.


Rosalie sloot de brief en hield hem dicht tegen haar hartje.
“Oooh Charelke." Zuchtte ze.
“Ik zien u toch zoooo geiren.”
De volgende dag werd Rosalie in het naaiatelier op het bureau van de bazin Madame Graciënne geroepen.
Ze zat kaarsrecht achter het grote eikenhouten bureau, haar haren opgestoken, bril op haar neus.
Haar blik strak vooruit.
Ze straalde één en al zelfzekerheid uit waarin je een geboren leidster herkende.
Ze was ongehuwd, en toch noemde iedereen haar zeer respectvol ‘Madame’.
Omdat ze er tegen alle verwachtingen in, erin slaagde om van een klein naaiateliertje een winstgevende zaak te maken en veel vooral jonge vrouwen tewerk te stellen.
Ze dwong respect af, tot in de hoogste kringen. Waar veel van haar vaste klanten deel van uitmaakten.
Toen Rosalie binnenkwam glimlachte ze.
“Zet u Rosalie." Zei ze rustig.
Rosalie zette zich neer, was een beetje zenuwachtig.
Maar ze begreep dat Madame Graciënne haar op haar gemak wilde stellen met haar zachte warme glimlach.
“Rosalie, Ik wil dat jij Henriëtte Peeters opvolgt als ploegbazin van het atelier.”
Rosalie hapte naar adem. “Ik… Maar Madame, ik.”
“Ik sta erop Rosalie.” Zei Madame Graciënne beslist terwijl ze Rosalie aankeek.
“Jij bent intelligent, je kan goed met mensen omgaan, leiding geven.
Jij hebt alles in je om iemand te worden Rosalie.
Ik bewonder jou.
Ik bewonder ook jou inzet en engagement voor ‘het verzet’.
U weet dat ik in kennis ben met een lieve man, iemand die mijn hart heeft beroerd.
Het is de man die u ontmoet voor het krijgen van instructies in het huis in de Schaarstraat.
Hij is meer dan in de wolken over jou inzet.
En ik ook.
Want net als jij ben ik allerminst gediend met de aanwezigheid van soldaten in dienst van één van de wreedste en gemeenste dictators die op dit moment de macht heeft.
Ik bewonder jou idealisme Rosalie.” Zei Madame Graciënne Van Ackere met een lieve zorgzame stem.
Toen legde ze haar hand zachtjes op die van Rosalie.
Ze voelde hoe Rosalie trilde van de zenuwen.
“Een meisje als jij wil ik steunen op welke manier dan ook om vooruit te komen in het leven.
En daarom heb ik besloten dat jij Nette zal opvolgen en de leiding zal nemen over de meisjes in het atelier. En als je in die functie zo je best doet als je reeds gedaan hebt, dan heb ik nog veel meer voor jou in petto Rosalie.
Maar alles op zijn tijd natuurlijk."
Rosalie was ontroerd.
“Merci Madame.” Zei ze snikkend.
“Dit is een hele eer voor mij, Nette was altijd een beetje mijn grote voorbeeld geweest.
Ik zag haar als een grote zus, aan wie ik me optrok.
Nogmaals Merci Madame.” Zei Rosalie terwijl ze haar bazin recht in de ogen keek.
Graciënne stond recht en streelde zacht door Rosalie haar blonden krullende haren.
“Weet je, ook Nette had enorm veel bewondering voor jou.
Dat vertelde ze me meer dan een keer.
En de warme blik in haar ogen, die sprak boekdelen.
Ik weet zeker, ze zou het zo gewild hebben.” Toen werd Graciënne even heel stil.
Wat er met de Nette gebeurde had haar enorm aangegrepen.
“Weer een jonge vrouw die een zinloze dood stierf, slachtoffer van mannen die hun autoriteit en macht misbruikten om een vrouw te onderdrukken en misbruiken.” Dacht ze dan.
Dit had ze zo vaak zien gebeuren, telkens opnieuw.
Ze kon er maar niet aan wennen, het maakte haar alleen maar bozer en strijdbaarder.
Maar dan vermande ze zich.
“Meer heb ik niet te zeggen. Je mag beschikken Rosalie.” Zei ze met een warme en hartelijke stem.
Ze gaf haar ondergeschikte een warme handdruk en glimlachte zachtjes.
Toen zag ze hoe Rosalie de deur achter zich dichtsloot.
Ze voelde warmte in haar hart.
Warme genegenheid voor dat jonge dappere meisje met haar hart vol liefde en genegenheid voor de weinige familie die ze nog had en voor haar collega's en natuurlijk voor Charles.
En zo vol van idealisme en strijdlust.
Ze keek door het raam en zag Rosalie wegrijden op haar fiets, ze verdween in het drukke verkeer van de straat waar het naaiatelier zich bevond.
Rosalie ging op tussen de voetgangers, fietsers, stootkarren enzovoort.
Haar werkdag zat erop.
Alweer een verstreken.
Alweer een dag dichter bij de terugkeer van HAAR CHARELKE!

maandag 3 oktober 2016

Lentebriesje 3



Voorjaar 1944
Maanden waren verstreken sinds het vertrek van Charles.
Voor Rosalie ging het leven verder zo goed en kwaad het kon.
Ze deed haar werk in het naaiatelier en hielp ’s avonds in het café van haar nonkel.
En om de drie dagen bracht ze voedsel, drank en indien nodig warme kleren, verse lakens en andere zaken naar de in een oude leegstaande hoeve verstopte Britse piloten.
Maar het viel haar zwaar.
Als ze aan de openbare gebouwen of in de belangrijkste straten van de stad de grote ‘swastikavlaggen’ zag hangen. Wanneer ze op strategische punten Duitse soldaten zag de wacht houden.
Of ze weer zo’n zwarte auto zag rijden met Duitse nummerplaat en hakenkruisvlaggetjes boven de koplampen en een hoge piet in uniform achterin. Dan voelde ze diepe haat in combinatie met totale wanhoop.
“Wanneer zullen we eindelijk verlost raken van die smerige moffen?” Vroeg ze zich dan af.
Zo goed en kwaad het kon hield ze zich kranig. In het café lachte ze blijgezind naar de klanten. En in het naaiatelier werkte ze hard door en was ze nog altijd de vrolijke babbelzieke Rosalie zoals ze haar daar altijd kenden.
Maar ’s avonds in haar bedje huilde ze zichzelf in slaap.
Ze nam een foto van Charles, haar ‘Charelke’, haar mateke.
En zoende die zachtjes.
“Ik mis u toch zo hard mateke. Ik verlang zo naar je sterke armen, je kussen, je liefde.”
Ze wierp zich op haar hoofdkussen en huilde met diepe snikken.
Op een dag.
Haar dagtaak in het atelier zat erop.
Ze liep het café binnen en kleedde zich achterin snel om.
Er zat al veel volk in het café.
Want vanavond is er ‘bonte avond’ in het café.
Sooike, een vaste klant zou er komen spelen op zijn accordeon en volkse liedjes zingen. En zijn vrouw, zoon en dochter zouden grappige sketches opvoeren.
Tante José zou zingen en ook van Rosalie werd verwacht dat ze enkele liedjes zou brengen.
Rosalie had een mooie stem, waar ze veel bijval mee oogsten.
Maar eigenlijk deed ze dat niet zo graag zo voor een vol café staan zingen.
Maar Nonkel Frans stond erop.
“De mensen horen dat geiren.” Zei hij dan.
“Ze komen speciaal voor uw schoon stemmeke te horen. Ge moogt ze niet teleurstellen. Ge hebt talent en dat talent moet ge laten horen… Allez komaan hé Rozeke niet verlegen zijn.” Zei hij dan steeds.
Op een bepaald moment stopte er een vrachtwagen voor het café.
Een ietwat rommelig uitziende vrachtwagen met een zeil over de laadbak getrokken. Een zeil dat al meerdere malen gelapt en getapt was.
Twee mannen stapten uit en gingen het café binnen. De eerste was een oudere man met een geruite pet, een knalrood hoofd en een felle vooruitstekende bierbuik.
De tweede zijn gezicht kon Rosalie niet zien. Maar hij leek mager en sjofel gekleed in een bruine trui en een vuile langs alle kanten gelapte grijze katoenen broek en oude, zeg maar versleten schoenen.
Rosalie nam haar dienblad en stapte op de twee mannen af.
“Goeie avond, wat mag het zijn alstublieft?”
“Voor Jeanke een pintje." Zei de dikkerd. "Enneuh, Ebde gij jenever in huis juffrouw? Echte jenever hé. Genen aangelengden brol hé.”
Bij die woorden legde met een groot gebaar een zak vol geld op tafel.

Toen ineens herkende ze de jonge man die bij hem zat.
“Jeanke!!!" Zei ze verrast.
“Jeanke begot, wat doede gij hier mateke?” Ze gaf de jongen een zoen op de wang.
“Rosalie?” Zei hij terwijl hij glimlachte. “Rosalie van de velomaker, werkt gij nu hier?”
Jean Verdonckt was een weesjongen die opgroeide in het weeshuis bij de nonnekes.
Tot er daar voor hem na zijn twaalfde geen plaats meer was.
Toen kwam ‘Meneer Pastoor’ aan Jef Dewolf vragen of hij geen leerjongen vandoen had.
En Jef kon wel wat extra handen gebruiken, dus mocht ‘Jeanke’ aan de slag bij ‘Jefke De Velomaker’.
Jean was een goeie leerjongen en hij kwam al snel goed overeen met Rosalie die even oud was als hijzelf.
Hij at mee met de familie en hij sliep op een kamertje op zolder.
’s Avonds zaten ze vaak in wat te babbelen buiten op het koertje, terwijl vader zijn gazet aan het lezen was met zijn pijpke erbij. En moeder zat te naaien, te breien en kleren te verstellen.
En ja, Jeanke was een lieve aangename jongen en de piepjonge Rosalie voelde wel wat voor hem, en hij voelde ook wat voor haar.
En terwijl ze zeker waren dat er niemand keek. Kreeg Rosalie van Jeanke haar allereerste kus.
Het was een moment dat ze nooit zou vergeten.
Haar hartje wordt er nog steeds warm van als ze eraan terugdenkt.
Ook aan die ene keer toen ze in het berghok… Haar borsten liet zien aan Jeanke. En hij haar gretig aan haar tepels liet likken.
Rosalie was niet verlegen om dit soort dingen te doen. Verboden zaken trokken haar aan.
En hoewel de angst om door vader of moeder betrapt te worden erg groot was en zodoende de zenuwen door haar lichaam gierden.
Genoot ze van die spannende momenten. Ze voelde hoe ze lichtjes nat werd in haar broekje toen ze Jeanke zijn tong over haar tepels voelde.
Het was hun geheim. En dat maakte dat de band tussen Rosalie en Jeanke heel speciaal was.
Maar ineens kwam ‘zijn nonkel' hem’ halen.
Hij was er naar eigen zeggen achter gekomen dat zijn neefje, het zoontje van zijn overleden zus na zijn verblijf in het weeshuis aan de slag was gegaan bij een fietsenmaker. En trok er meteen naartoe.
En vertelde aan Jef Dewolf dat hij de hulp van zijn neefje dringend vandoen had.
Jef ging ermee akkoord dat Jeanke met zijn nonkel meeging.
Vooral toen de ‘nonkel’ een zak vol geld in Jef Dewolf zijn handen stopte.
Tot groot verdriet van Rosalie vertrok Jeanke. Dat was een paar weken voor de Duitsers ons land binnenvielen.
Maar nu zag ze hem terug.
Ze bracht voor hem een glaasje flets fluitjesbier en voor zijn nonkel een bel jenever.
Toen ineens vroeg ze “gaan we dansen Jeanke?” Ze glimlachte.
“Allez Jean." Zei zijn nonkel. “Wat zitte gaa doar te zitte? Als een dame uitnodigt moogde nooit nie weigeren.”
Jeanke stond op en samen dansten ze op de tonen van Lili Marleen, gebracht op de accordeon van ‘Sooike’.
“En Jeanke, wat doede gij zoal voor de kost?” Vroeg Rosalie nieuwsgierig.
“Meegaan met ‘Nonkel Lowie'." Zei hij. Materiaal dat hij koopt en verkoopt laden en lossen.
Spullen gaan opladen en dat soort dingen.”
“Ge ziet er niet echt proper uit hé jongen. Toen ge nog bij ons werkte had ge alle dagen verse kleren en altijd piekfijn in orde, en nu loop je met oude spullen. Zo ken ik u toch nie hé maatje.”
“Gho ja." Zei Jeanke. "‘Nonkel Lowie’ is niet getrouwd, hij leeft alleen voor zijn werk".
Zo werd er nog even doorgepraat tot het liedje afgelopen was.
Ze gaf Jeanke een zoen op de wang. “We spreken elkaar nog hé mateke.” Zei ze terwijl ze nog even naar hem zwaaide.

'Nonkel Frans' nam Rosalie even apart.
“Dat is toch Jeanke die nog bij uwe pa heeft gewerkt als leerjongen?”
“Ja.” Zei Rosalie. “Ik vind het plezant om hem terug te zien. Jeanke da’s nen toffe.” Lachte ze.
“En die andere vent, wat doet Jeanke bij hem?”
“Dat is Nonkel Lowie’ die hem een paar weken voor den oorlog is komen halen omdat hij zijn hulp vandoen had.”
“Rosalie”, zei haar nonkel met ernstige stem.
“Dieje 'Nonkel Lowie'. Wete gij wel wie dat dat is?"
Uiteraard had Rosalie daar geen flauw idee van.
“Louis Van Bossche, bijgenaamd ‘Lowie Klandestien’ oftewel ‘Lowie de smokkelkoning’."
Nonkel Frans vertelde dat Louis Van Bossche een geduchte smokkelaar was.
Hij controleerde alle smokkelroutes langs de Belgisch-Nederlandse grens. En zelfs aan de Belgisch-Franse grens controleerde hij steeds meer routes.
Hij verdiende grof geld aan de smokkel van boter, zout, sterke drank, tabak en ook zaken als auto en motor onderdelen, brandstof enzovoort.
Toen het oorlog werd en ons land door de Duitsers werd bezet bouwde hij zijn smokkelpraktijken wat af omdat deze te gevaarlijk werden aangezien er nu Duitse soldaten langs de grenzen patrouilleerden en deze elkeen die clandestien de grens wilde oversteken genadeloos neerknalden.
Hij richtte zich nu meer op ‘de zwarte markt’. Dat bracht meer op.
Hij smokkelde enkel nog drank, jenever uit Holland, en wijn, cognac en calvados uit Frankrijk.
En af en toe wapens, munitie voor het verzet, of brandstof.
Welks hij dan ook op ‘de zwarte markt’ verkocht voor grof geld.
Nadat Rosalie een derde bel jenever bracht naar Lowie en een pintje voor Jeanke, klampte Lowie haar aan.
“Kinneke roept den baas is efkes?" Vroeg hij. "Ik zou geire nekeer serieus met hem willen klappen."
Frans liep naar Lowie en die vroeg hem meteen.
“Van waar komt diene jenever gast? Dat trekt op geen klote.
Ik kan aan veel betere jenever geraken, en dat voor een schappelijk prijske.
Ge kunt kiezen tussen jenever uit Holland of van De Limburg, of van mijn eigen stokerij, diejen is ietske goeiekoper."
Intussen praatte Rosalie verder met Jeanke.
Het leek weer goed te klikken tussen hen.
Maar het werk moest vooruitgaan.
Intussen nam Lowie Jeanke apart.
“Schoon maske hé." Grijnsde hij.
“Maar pas op manneken. Want dat is er ééntje van ’t verzet. Als de moffen weten dat ge met heur hebt zitten konkelfoezen zitten we dik in de miserie gast. En dat kunnen we nu missen als kiespijn, dus houdt u maar een beken in”.
Toen sprak hij met een andere klant.
“Die van ’t verzet hé meneer, dat zijn onnozelaars. Paljassen dat zijn het.
Allez ge hebt hier diene coureur, hoe heet hem daar weer. Diene knecht van Sylveer Maes.”
“Och ja, de Charles. Charles Verschelden, goeie gast is dat. Heel joviaal en een echte volksmens, ik ken hem.” Zei de andere klant.
“Ne grote dwazekloot is dat meneer.” Lachte Lowie. “Dieje kon allang de Ronde Van Vlaanderen gewonnen hebben, maar nee tijdens de mobilisatie liet hem zich de kop zot maken door die ‘boeffers’ van het Belgisch Leger en nadat ze capituleerden ging hem met die mannen mee in ’t zogenaamde ‘verzet’.
Denken die paljassen nu echt dat ze iets gaan kunnen veranderen door tegen de benen van Den Duits te pissen?” Hierbij moest Lowie heel hard schaterlachen.
“Da’s zoals die klein mannen op de koer die tegen de schenen van de grote mannen schoppen en dan komen bleiten omdat ze de slagen krijgen die ze verdienen, onnozelaars.
De Duitsers hebben het machtigste leger van heel de wereld, 10 jaar gelejen lag den boel daar op zijn gat en nu is dat de sterkste economie van Europa.
Met die mannen moet ge zaken doen, daar valt veel geld mee te verdienen.
Ik heb al veel van die officieren van de ‘Wehrmacht’ in mijne zak, en zelfs al een paar SS’ers.
Wat dat niet gemakkelijk is, want dat zijn geen simpel manne zulle.
Nee wat mij betreft mogen ze hier nog lang blijven zulle. Die mannen zijn goud waard, geloof me.”
Hij dronk zijn jenever uit en trok aan Jeanke zijn arm.
“Kom maat, we moeten er vandoor, d'er is nog veel werk aan de winkel”.
En weg waren Lowie en Jeanke.
Enkele dagen later kwam Lowie terug.
Nonkel Frans ging akkoord om van Lowie enige flessen jenever te kopen, ook al vroeg hij er erg veel geld voor.
Maar hij had goeie klanten die al eens echte niet aangelengde jenever wilden en daarvoor ook wilden betalen. En daar deed hij het voor.
En zo kwam Jeanke terug in Rosalie haar leven.
Wat haar hartje blijgezind maakte.
Al lagen de kaarten nu helemaal anders.
Ze had haar hart geschonken aan Charles, maar die zat in Brussel en het zag ernaar uit dat hij nog lang niet zou terugkomen.
Hoe moest ze aan Jeanke uitleggen dat haar hart aan iemand anders toebehoorde als ze over die persoon niets kwijt kon.
Zeker niet aan iemand die voor Lowie Klandestien werkte. Want die stond ervoor bekend dat hij mensen verraadde als hij daar beter van kon worden.
Het verzet had aan hem een valse vriend. Hij leverde hen wapens en munitie maar tegelijkertijd gaf hij namen en adressen van verzetslui door aan de Duitsers om hen zo aan hem te binden.
Toen Lowie de jenever had geleverd aan 'Nonkel Frans' klom hij terug in zijn camion, startte de motor duwde het gaspedaal in.
“Jeanke maat, gij zoudt iets moeten doen voor mij." Zei hij terwijl ze de stad uitreden.
Gij komt goed overeen met dat Rosalieke hé? Allez ja, dat heb ik toch gezien toen we daar in 'Café De Zwaan' zaten."
Jean knikte.
Ge moet heur vertrouwen zien te winnen, en zo te weten komen met wie zij zo allemaal omgaat.
Dat maske is goud waard, ik voel het aan de toppekes van mijn tenen.
Ze zit in het verzet, en ze houdt aan met diene coureur, diene Charles Verschelden.”
Dat hoorde Jeanke niet graag, dat zijn lieve Rosalie een ander lief had.
Hij hoopte haar hart terug te winnen, want die keer dat hij haar mocht kussen en aan haar borsten mocht voelen en likken was hij nog lang niet vergeten.
“Diene Charles zit naar het schijnt in Brussel, en zo’n meiske als Rosalie alleen zonder heuren aanhouwer. Dat blijft niet duren.
Gij moet haar rond uw vingerke winden en zoveel mogelijk over haar te weten komen.
Dus ge weet wat u te doen staat hé de komende dagen."
Zei Lowie terwijl hij zijn camion aan de kant zetten om weer een lading gesmokkeld goed af te zetten.

Zo gebeurde het dat Rosalie en Jean elkaar vaak zagen.
Ondanks haar felle liefde voor Charles, bleef ze niet ongevoelig voor de avances van Jeanke.
Op een mooie zondag in de lente.
Ze gingen wandelen in het park, zaten stilletjes op een bankje hand in hand.
De bomen begonnen te botten en overal begonnen bloemen  hun kopje uit de grond te steken.
En voor het eerst sinds lang voelde het zonnetje lekker warm aan.
Rosalie genoot van de zon in haar gezicht.
Jeanke legde zijn arm over haar schouder en keek haar diep in de ogen.
Rosalie voelde het warm worden aan haar hartje. “Schoon Rosalieke.” Fluisterde hij terwijl hij glimlachte.
“Gij zijt nog geen haar veranderd hé Jeanke.” Lachte Rosalie. Ze vond zijn aandacht wel fijn.
Het leek of de zorgeloze dagen van voor de oorlog weer helemaal terug waren.
Ze vergat even alle ellende om haar heen.
Jean streelde zacht haar blonde krullenbol en gaf haar een zoentje op de wang.
En daarna nog eentje op haar mond. Een zachte lieve kus zoals Jeanke er zoveel gaf, stiekem op het koertje of in het bezemhok.
Ze voelde hoe hij zijn tong over haar lippen liet glijden en dan haar tong tegen de zijne.
Met gesloten ogen voelde ze zijn tong en zijn lippen en genoot.
Maar dan ineens, trok ze zich terug.
Haar hart bonsde in haar keel.
“Sorry, Jeanke. Ik kan het niet. Ik....” Stamelde ze.
“Maar Rosalieke.” Reageerde hij.
Maar ze stond op en liep weg. Jean bleef alleen achter.
De volgende dag was Rosalie aan het werk in het naaiatelier.
In het naaiatelier werkte ook ‘Nette’, ze heette eigenlijk Henriette, maar iedereen noemde haar ‘Nette’.
Nette was een pittige en levenswijze jonge vrouw.
Een jaar of drie ouder dan Rosalie en niet van een kleintje vervaard.
Struis gebouwd en grof gebekt.
Zo kon je haar het best omschrijven.
Maar Nette had een hart van goud.
En was meer dan dik bevriend met Rosalie.
Ze zag dat Rosalie een beetje in zak en as zat en tijdens de schafttijd zette ze zich naast haar liefste collega en meer dan goeie vriendin.
“Ewel Rozeke, wat is er met u? Ge zijt zo stil, zo ‘piekerachtig’. Allez kom, zeg het nekeer. Wat zit er u dwars?"
En Rosalie  begon te vertellen over Jeanke.
“Weet je Nette, Jeanke is een lieve jongen. Een jongen die ik graag het allerbeste wens in zijn leven.
Maar wat hij echt wil, dat kan ik hem niet geven.
Die jongen is smoorverliefd op mij. Toen hij nog bij mijn ouders werkte hebben we wat ‘gesmost’ en heb ik hem mijn borsten getoond. En nu denkt hij dat omdat ik dat deed, dat ik meer wil.
Hij wil mij. Hij wil mijn lichaam.
Hij denkt dat hij mij kan krijgen.
Maar ondertussen is er zoveel gebeurd. Ik leerde Charles kennen. En wat tussen Charles en mij is, dat is zoveel sterker dan wat er ooit tussen Jean en mij was.
Dat was spannend, zoals een eerste ‘kalverliefde’ altijd spannend is.
Maar het is niets vergeleken met de passie en liefde die ik voel voor Charles.
Gho Netteke, ik mis Charelke zo hard. En ik weet langs geen kanten hoe ik dat aan Jean zijn verstand moet brengen.
Ik kan niets over hem vertellen, want dan zou ik teveel vertellen. Als ge verstaat wat ik bedoel.”
Rosalie was ten einde raad.
Ze zat in met Jeanke en voelde wel vriendschap voor hem, had medelijden met hem toen ze hem zag lopen in zijn sjofele kleren.
Maar ze voelde dat er meer aan de hand was. Dat er andere redenen waren voor zijn aandacht dan alleen liefde of interesse voor haar mooie lichaam.
Nette dacht na.
“Rozeke, zeg hem gewoon waar het op staat. Dat je geen liefde voor hem voelt, maar dat hij wel bij je terecht kan als hij problemen heeft. Laat hem weten dat hij altijd bij je terecht kan als hij problemen heeft of zo. Maar dat hij zich verder geen illusies hoeft te maken.”
Nette omhelsde Rosalie.
“Ik weet dat uw liefde voor Charles oprecht is. En ik gun het u zo hard. Ge zijt een tof meiske. En ik werk zo graag met u samen.”
Ze drukte Rosalie dicht tegen zich aan. Dat vond Rosalie fijn.
Toen stond ze recht en klapte ze in haar handen.
“Kom meiskes, de schafttijd is gedaan. Aan het werk hop hop!!!!”.

De opmerkzame lezer heeft al gemerkt dat dit verhaal begon in een rusthuis waar iemand werkte die in een vorig blogverhaal voorkwam. De mama van Nathalie Van Bosvoorde.
Ik wil op dit elan voortgaan.
U herinnerd zich vast nog het verhaal over ‘Graciënne’? Die jonge meid die in een rockbandje zong, erg geliefd was door haar vrienden en voor hun ogen op tragische wijze om het leven kwam.
Ze was zo close met haar ‘Marraine’, naar wie ze genoemd was.
Ik beschreef hierin hoe die ‘Marraine’ als sociaal bewuste feministe een eigen naaiatelier runde waar ze niet alleen een bazin maar ook een mentor en een leermeesteres voor haar werkneemsters was.
Zij was de bazin van Rosalie en Nette.
Zo lopen de dingen nu éénmaal.
Mensenlevens kruisen elkaar. Soms in goede, soms in minder goede zin.
Mensen leven niet op een eilandje, we zijn sociale dieren die niet zonder elkaar kunnen.
Madame Graciënne zoals ze haar noemden was als een moeder voor haar naaisters.
Velen van hen waren meisjes uit sociaal achtergestelde gezinnen.
Anderen haalde ze uit de prostitutie.
Nette was zo’n meisje.
Haar vader was er vandoor gegaan en haar moeder stond alleen voor de zorg van vier zonen en twee dochters.
De oudste dochter, Nette dus, verkocht ze voor grof geld aan niemand minder dan… Louis Van Bossche, oftewel Lowie Klandestien.
Veertien was ze.
Het is iets waar ze niet graag over sprak.
Wel was ze ‘Madame Graciënne’ erg dankbaar dat ze haar uit de klauwen van die bullebak wist te redden en haar een baan gaf in haar naaiatelier en een dak boven haar hoofd in een huis van haar dat dienst deed als pension waar enige van haar jonge, thuisloze werkneemsters een onderkomen vonden.
Nette verbleef er eigenlijk reeds het langste en nam daarom dus de leiding op zich en waakte erover dat de regels opgelegd door ‘Madame Graciënne’ strikt opgevolgd werden.
Dus geen ‘herenbezoek’ op de kamers, kamers steeds proper en ordentelijk en elk op zijn beurt eenmaal per week de trappen en de gang poetsen.
Door haar leiderschap en engagement besloot ‘Madame Graciënne om haar aan te stellen als ploegbazin. Zo was ze verantwoordelijk voor de orde in het atelier en voor het afhandelen van een goede gang van zaken.
En Nette deed dat goed.
Maar toch bleef ze voor haar collega’s en niet in het minst voor Rosalie nog altijd die lieve, zorgzame, goede vriendin die ze altijd was.
En dat sierde haar zo hard die lieve, warmhartige maar o zo zelfzekere Nette.
Rosalie trok zich zo hard op aan de goede raad, de warme vriendschap en de zorgzaamheid van Nette.
Doch beide meisjes zouden brutaal van elkaar gescheiden worden…

zondag 2 oktober 2016

Lentebriesje 2


Rosalie mocht bij het verzet.
En meteen hadden ze er een zeer gemotiveerd lid bij.
Ze kende al snel de codes uit het hoofd, leerde hoe ze de Duitsers kon verschalken en ongemerkt illegale kranten en andere bezwarende documenten op de juiste bestemming moest krijgen.
Rosalie kreeg de codenaam ‘Lentebriesje’.
Omdat één van de hoofdmannen vond dat ze hem aan een lentebriesje deed denken. “Fris en bevallig en je wordt er blijgezind van.”
Ach ja, Rosalie was een knap meisje met haar lange krullende haren, haar heldere blauwe ogen, de kuiltjes in haar wangen, haar hartverwarmende glimlach en haar mooie slanke figuurtje en haar borsten die ze maar al te graag trots vooruit stak.
Ook de Duitse soldaten vonden ‘Fraulein Rosalie’ een leuke verschijning. En dat wist ze uit te spelen.
Met haar charme en het spelen van het lieve onschuldige meisje, maakte ze dat geen enkele Duitse soldaat ook maar denken zou dat ‘Fraulein Rosalie’ zich inliet met verzetsactiviteiten.
Maar het verzet dat was geen lolletje.
Denk niet dat verzetslui elke dag bruggen en spoorlijnen opbliezen, telefoonlijnen saboteerden en collaborateurs afknalden.
Er moest zeer voorzichtig en discreet gehandeld werden.
Elke stap moest nauwgezet besproken worden, en elk order strikt opgevolgd.
De voornaamste taken van nieuwelingen bestonden uit het bezorgen van orders en materiaal, vaak in de vorm van brieven en pakjes.
En dat zonder dat de Duitsers het in de gaten hadden.
Overal kon je controleposten tegenkomen. Ook op de trein of bus konden de ‘Feldgendarmerie’ burgers aan een controle onderwerpen.
Rosalie had vaak met een bang hartje op de trein gezeten, terwijl geüniformeerde Duitsers mensen dwongen om hun bagage te openen.
Terwijl zij een in papier gewikkelde revolver tegen haar boezem aandrukte.
Op een avond stonden Rosalie en Charles weggedoken achter de hoek van een straat.
Ze hielden een groot herenhuis in de gaten.
Hier woonde de ‘oorlogsburgemeester’. Die was eigenlijk niets meer dan een marionet van de Duitsers.
 In Vlaanderen waren dat voornamelijk leden van de VNV, de ‘Vlaamsch Nationaal Verbond’. Een radicale Vlaamsgezinde partij.
Die avond zou er een vergadering van die partij plaatsvinden in het herenhuis. En het verzet wilde weten wie er allemaal aanwezig zou zijn.
Mensen kwamen toe. Te voet, met de fiets en enkelingen zelfs met de auto.
Charles fotografeerde hen met een kleine maar erg dure camera.
En Rosalie stond op de uitkijk, of er geen Duitse soldaten of Feldgendarmes aankwamen.
Want de ‘spertijd’ was al lang ingetreden, wie zich nu op straat bevond riskeerde om door de Duitsers of door onze eigen politie of Rijkswacht aangehouden te worden.

Toen iedereen binnen was en hun taak er zodoende opzat liepen ze schichtig langs de gevels door de stille, donkere, uitgestorven straten. Om de bommenwerpers van de geallieerde troepen te misleiden moest het overal pikkedonker zijn.
Geen enkele lantaarn brandde en overal werden de rolluiken en gordijnen gesloten en zaten mensen achter donkere schemerlampjes te lezen of naar de radio te luisteren toen dat nog mocht.
Stil slopen Charles en Rosalie door een donkere straat.
Ineens hielden ze halt, ze verborgen zich in een deurportaal.
Ze hoorden zware voetstappen, en een nogal luide conversatie in het Duits.
“Moffen”, siste Rosalie tussen haar tanden.
Ze kwamen voorbij, Rosalie en Charles draaiden hun gezicht naar de deur en hielden hun adem in.
De twee Duitse soldaten hadden geen oog voor hen.
Ze leken met een dikke tong te praten, ze kwamen duidelijk uit één van de vele café’s waar de cafébaas in ruil voor rantsoenzegeltjes, wat boter, olie en bloem. Sterke drank en andere zaken bewaarden voor de Duitsers die al eens graag de bloemetjes gingen buitenzetten als ze geen dienst hadden.
De kust leek veilig, ze gingen verder. Toen hoorden ze weer zware voetstappen.
Dit keer waren het er meer.
“Dedju”, vloekte Charles. “Ik peins dat er ergens een feestje afgelopen is en heel ’t nest keert langs hier naar hun slaapvertrekken.
Tegen een hoge muur stonden enkele kisten.
Ze klommen erop en gingen zo die muur over. Beneden stonden gebonden zakken opgestapeld.
Snel liepen ze de openstaande deur van een houten loods binnen.
Beneden lag een berg kolen, en erboven was een verhoog die vol met nog meer gebonden kolenzakken stond.
Rosalie wist waar ze waren.
Bij ‘Juultje de koolmarchang’. “Vlug haast je voor Rex ons in de gaten krijgt.” Zei ze.
Langs een houten ladder klommen ze naar boven. Ze verborgen zich vlug tussen de kolenzakken.
“Oef dat was op het nippertje”, zei Rosalie. Beneden hoorden ze een hond blaffen. Even zagen ze hem. Het was een prachtige Mechelse Herder.
Ineens hoorden ze Juultje schreeuwen. “Rex houdt uw bakkes milledju, stoemen hond!!!”.
Toen werd het weer stil, Rex verdween weer van het toneel.
Ze kende Juultje en ze zou wel een smoes verzinnen om hun aanwezigheid te verklaren.
Juultje was een vaste en zeer goede klant in het café van haar Nonkel Frans.
Het was muisstil.
Muisstil en pikkedonker.
Ineens… Trok Rosalie haar jurk uit.
En haar ondergoed.
Naakt lag ze op hem.
“Weet je nog wat ik je beloofde? Als je ervoor zou zorgen dat ik bij het verzet mocht?”
Charles glimlachte, en nam Rosalie in zijn armen.
“Ja mijn schatteke, ik weet het nog.”
Ze hield een vastgeknoopte varkensdarm vast, die moest dienstdoen als condoom.
Zo ging dat vroeger.
Ze maakte zijn broek los en liet die zakken.
Verlekkerd keek ze naar zijn geslachtsorgaan, en begon ermee te spelen.
“Oooh Charelke, Ge moest eens weten hoe hard ik hiernaar uitkijk mijn ventje.”
Nadat ze hem lekker oraal bevredigde, deed ze de varkensblaas rond zijn penis en ging schrijlings op hem zitten.
Ze duwde zijn geslachtsorgaan diep tussen haar benen en kreunde heel zachtjes.
Charles streelde haar prachtige lichaam en genoot van dit heerlijke moment met zijn Rosalieke.
Rosalie liet haar handen over zijn gespierde borstkas glijden, zo over zijn brede schouders, zijn hals en dan langs zijn gezicht. Ze draaide even met haar lekkere kontje en zuchtte diep.
Ze legde haar lichaam tegen het zijne en liet zich dan kantelen.
“Laat je gaan Charles”, smeekte ze. “Berijdt me, ga lekker wild tekeer in me. Ik ben helemaal van jou Charles”.
Charles legde Rosalie comfortabel tussen de koolzakken, spreidde haar benen ietsje meer.
En duwde zijn penis diep in haar grotje. Eerst zachtjes en daarna steeds harder en wilder.
“Nog Charles.” Smeekte ze zachtjes. “Ooh Charles, oooh mijne lekkere vent.”
Rosalie sloot haar ogen en genoot met volle teugen van dit mooie maar verboden moment.

In het toen nog erg Katholieke Vlaanderen was seks buiten het huwelijk uit den boze.
Maar Rosalie was niet van plan zich aan dergelijke verbodsbepalingen te houden.
Elke gelegenheid die spanning en avontuur, en liefst ook wat romantiek in haar leven bracht, greep ze met beide handen.
Ze had toch niets te verliezen. Waarom zou ze dan laten om volop in het leven te bijten en te genieten van elk mooi moment.
En dit was voor haar een mooi moment.
Ze genoot met elke vezel van haar lichaam. Ze rook zijn mannelijke lichaamsgeur, voelde zijn ietwat ruwe sterke handen. Haar lichaam zinderde en sidderde terwijl hij haar penetreerde.
Ze voelde haar hele lijf schokken telkens hij stootte.
Ze voelde hoe hij klaarkwam en de varkensblaas zich vulde met zijn sperma.
Hij haalde ‘hem’ eruit en gooide de varkensblaas achteloos tussen de zakken met kolen.
Rosalie omhelsde hem.
“Ooooh Charelke, ’t was zo schoon ventje.” Fluisterde ze met een diepe zucht.
Een stralende glimlach op haar lippen.
“Gij zijt de man van mijn leven Charles, gij zijt mijn mateke. Bij u voel ik me zo veilig, zo geborgen."
Ze kuste hem nogmaals, met lange diepe halen raakte ze zijn tong, heerlijk sensueel.
“Charelke." Fluisterde ze nogmaals heel stilletjes.
Haar blauwe ogen straalden, een blosje verscheen op haar wangen.
Charles nam haar in zijn armen en samen doken ze weer onder de kolenzakken.
Waar ze in elkaars armen zielsgelukkig in slaap vielen.

Rosalie en Charles.
Met de dag groeiden ze almaar dichter naar elkaar toe.
Ze deelden hetzelfde verlangen.
Ooit ‘Den Duits’ te zien verdwijnen uit hun stad, hun land.
Om dan samen een mooie toekomst op te bouwen in een vrij land.
Ze hadden er zo vaak samen over gefantaseerd.
Rosalie kreeg almaar belangrijker taken bij het verzet.
Op een dag.
Een Britse bommenwerper werd op de terugweg na een opdracht in Duitsland neergehaald en kwam neer in een akker buiten de stad.
De piloten en de schutter die met mitraillieurvuur vijandige vliegtuigen op een afstand moest houden of desnoods uitschakelen, waren gelukkig ongedeerd uit het neergestorte vliegtuig geraakt en werden door landbouwers die het verzet en de geallieerden gunstig gezind waren opgevangen.
Het verzet zocht en vond voor hen een veilig onderkomen in een leegstaande hoeve. Het gezin dat er woonde was in 1940 op de vlucht geslagen en sedertdien werd er niets meer van hen gehoord.
Niemand kwam de hoeve opeisen en sindsdien stond ze leeg.
De inboedel werd door omwonenden en passanten geplunderd, maar voor de rest was het een perfect en vooral droog en warm onderkomen voor de drie Britten.
Rosalie kreeg de taak om hen van eten en drinken en benodigdheden voor hygiëne en dergelijke te voorzien, samen met twee andere meisjes dit tot het verzet waren toegetreden.
Agnes en Julia heetten ze. Het waren net als Rosalie jonge en gemotiveerde jongedames met een al even afkeer voor alles wat Duits was of de nazi doctrine omarmden als zijzelf.
Maar op een dag, Rosalie kwam net van haar werk in de naaiatelier.
Toen een kleine jongen op haar afkwam.
“Rosalie, ik moest zeggen dat ge naar de Schaarstraat nummer 7 moest komen, en dat Charles er ook zal zijn”.
Rosalie begreep dat ofwel Charles ofwel iemand anders van het verzet die jongen een paar centen had toegestopt om haar dit te melden.
Ze trok er meteen naartoe.
De Schaarstraat was een straat met kleine rijhuisjes.
Zeer volks en zeer armoedig ook.
Huis nummer zeven was een kleine arbeiderswoning.
Ze klopte aan, een jongen deed open.
“Het is in de achterkeuken te doen”, zei hij.
Daar zat Charles op een stoel, naast hem iemand in een dure jas en met een broek aan in fijn katoen.
Het was een man van eind de dertig, mager, haar netjes gekapt met een mooie scheiding langszij.
Ze wist meteen, dit was iemand van de leiding van het verzet.
“Zet u.” Zei de man.
Ze zette zich op de overgebleven stoel.
“Rosalie.” Zei de man. “Charles en ik hebben zonet enkele belangrijke zaken besproken.
Ik weet dat jij goed met Charles kan samenwerken en zelfs meer dan dat.
En net daarom Rosalie.
Daarom wil ik het je nu zelf en persoonlijk vertellen.
Je zal het een poosje zonder hem moeten stellen…”
Dit hoorde Rosalie nu echt niet graag.
“Charles… Maar wat?” Vroeg ze vertwijfeld.
“Roosje.” Zei hij zachtjes.
“De moffen worden zenuwachtig. Ze hebben slaag gekregen in Stalingrad en dat vinden ze echt niet tof.
De strijd aan het Oostfront was voor hen belangrijk als propagandastunt.
Ze wilden niets liever dan de wereld tonen dat zij en zij alleen het ‘Bolsjevisme’ in de kiem hadden gesmoord.
En zo de wereld en vooral de bevolking in de door hen bezette gebieden te tonen dat hun acties bestaansrecht hebben.” Zo sprak Charles in volle ernst.
De man in de nette kleren vervolgde.
“Nu dat niet meer zo is, en op almaar meer plaatsen verzetslui zoals wij hoop krijgen in een snelle overwinning. Zijn ze zenuwachtig.
En willen ze elk verzet zo snel mogelijk in de kiem smoren.
En meer… Er is een lek.
Collaborateurs en andere verraders slagen er vaker in dan gezond is voor ons, informatie over onze acties door te spelen aan de Duitsers.
Daarom is het beter dat we ons een poosje koest houden.
En dat personen die teveel in de kijker lopen zoals Charles beter een poosje uit beeld verdwijnen.
We hebben hem gevraagd of hij voor ons opdrachten wil uitvoeren in Brussel en hij gaat ermee akkoord.”
Rosalie keek Charles vertwijfeld aan.
“Charles… " Zei ze smekend.
“Rosalie.” Antwoordde hij, terwijl hij haar handen vasthield.
“Het wordt te gevaarlijk nu. Ze hebben drie erg belangrijke leden van ons opgepakt.
Het is in ons aller belang dat we ons nu even gedeisd houden."

Charles wist wel dat Rosalie het moeilijk zou hebben met dit voor haar erg harde nieuws.
Daarom wilde hij bij haar zijn als ze van de plaatselijke leider van het verzet dit order kreeg.
Haar taken werden beperkt tot het voorzien van eten drank en andere benodigdheden van de Britse piloten die ze verborgen hielden.
Samen met de twee andere meisjes.
En Charles vertrok 's anderendaags naar Brussel met een grote zak met daarin zijn kleren en zijn belangrijkste bezittingen.
Voor Rosalie brak een harde en eenzame tijd aan.
Ze moest er zich weer alleen doorstaan.
Zonder de liefde en zorgen van ‘haar Charelke’.
Hoewel haar nonkel en tante haar graag zagen en om haar bezorgd waren.
Het was niet hetzelfde als de warmte en geborgenheid die ze bij hem vond.
Charles was niet alleen haar lief.
Maar hij was ook een beetje een grote broer voor haar.
Haar beschermer en raadgever.
Haar klankbord als ze het even moeilijk had.
Hij begreep haar verdriet.
Het verdriet om haar ouders, haar broer en haar kleine zusje.
Gruwelijk om het leven gekomen op de vlucht in Frankrijk.
Ze putte troost en moed uit zijn woorden, zijn lieve blik.
Zijn kussen vol vuur en passie.
Voor haar was Charles Verschelden niet zomaar een vriend, een ‘lief’, een jongen waarmee ze af en toe eens afsprak.
Hij was voor haar de man van haar leven.
Ze wilde verder met hem.
Zo voelde ze het aan.
Een gevoel van oprechte liefde, heel sterk en intens.
Dat was wat ze voelde als ze nog maar aan hem dacht.
Ze keek op naar die grote, sterke, zelfzekere man die wist wat hij wilde en waar hij voor vocht.
Maar die tegelijk zo’n zachte inborst had. En een hart vol liefde, liefde voor Rosalie, die hij liefdevol ‘mijn Roosje’ noemde.
Ook hij voelde pijn in het hart, wetende dat hij zijn ‘Roosje’, zijn ‘Lentebriesje’, alleen moest achterlaten.
Wetende dat ze zo’n behoefte had aan een goed gesprek, een lieve knuffel.
Om gewoon eens stevig vastgepakt te worden en zich zo zalig geborgen te voelen in zijn sterke armen.
Het knaagde aan hem, hij staarde naar het raam die ochtend in de trein die traag sjokkend naar Brussel reed.
Hij staarde naar het raam zodat niemand de tranen zou zien die over zijn wang bengelden.
“Ik ga u zo hard missen lieve Roosje.
Ik zie u geiren lief maske.
Ik zien u toch zo geiren lieve Lentebriesje." Fluisterde hij zachtjes.
Terwijl hij een brok in zijn keel had.
Ook Charles voelde met de dag steeds meer voor dat lieve volkse meisje met haar lieve lach, stralende oogjes en haar gouden hartje. Altijd bereid om te helpen met een lach.
Ze had zijn hart geraakt… Rosalie.

Lentebriesje.



Een rusthuis ergens in een Vlaamse provinciestad.
Voor wie mijn blog volgt, met wat er hieronder volgt wil ik gewoon aangeven… Het leven gaat voort.
Ook voor Maureen De Beuckelaer, de mama van de dappere zwemster Nathalie Van Bosvoorde, die veel te vroeg overleed door een fatale hersentumor is dit de dagelijkse realiteit.
Na de verlofperiode die ze aanvroeg om voor haar stervende dochter te zorgen ging ze naderhand dan ook weer gewoon aan de slag.
Wat haar hielp om het diepe verdriet in haar hart te temperen.
Zo gingen er twee jaar voorbij.
Het werk in Rusthuis Rozendal waar ze als verpleegster werkte ging zijn gewone gangetje.
Ze had de laatste bewoners hun medicijnen gegeven en gaf instructies aan een jonge zorgkundige die pas begonnen was in verband met de laatste zorgen en het in bed steken van enkele oudjes die er verbleven.
Toen bleef één van de nieuwelingen met zijn looprekje in de deuropening staan van het kleine keukentje waar de boterhammen voor de bewoners werden gesmeerd, en waar de verpleegsters en verzorgsters samen kwamen om te vergaderen, hun boterhammen op te eten of om ’s ochtends hun kopje koffie te drinken.
Hij klampte Maureen aan.
“Zuster, mag ik naar de TV zaal een beetje naar den televies zien?"
“Maar natuurlijk Jeanke." Antwoordde ze heel moederlijk. “Doe maar jongen.”
Daarbij lachte ze heel vriendelijk.
In het keukentje bekeek Maureen de planning en andere lijsten ivm met medicatie en andere zorgen die de bewoners van haar afdeling nodig hadden, en begon ze haar verslag te typen op de laptop die er stond.

Ineens hoorde ze vanuit de TV zaal een hels kabaal.
Ze ging kijken.
Ook twee jonge verzorgsters snelden toe.
Charles die reeds enige jaren in Rusthuis Rozendal verbleef greep nieuweling ‘Jeanke’ bij de keel.
“Gaase klootzak." Brulde hij. “Kom hier da ‘k uwe kop kaalscheer, zoals ik destijds met nen hele hoop andere ‘zwartzakken’ heb gedaan nondedju vuilen onderkruper!!!!”
“Hoow hoow hoow!!!" Riep Maureen.
“Ophouden Charles. Het is hier geen bokstent hé.”
Ze droeg de jongste zorgkundige op om Jeanke naar zijn kamer te brengen en wendde zich tot Charles.
“Kom mee naar uw kamer ‘Charelke’." Zei ze met strenge stem.
In de kamer van Charelke deed ze zijn kleren uit en trok ze zijn pyjama aan.
Intussen vroeg ze.
“Ewel Charel wat is dat met u? Waarom viel jij Jean aan? Wat heeft hij u misdaan?”
“Het is nen vuile zwartzak en nen onderkruiper, door zijn schuld verloor ik iemand die ik echt zielsgraag zag en om wie ik na 70 jaar nog altijd veel verdriet heb”.
Na die woorden begon Charles onbedaarlijk te schreien.
“Rosalieke.” zei hij snikkend.
“Door zijn schuld is Rosalieke een vreselijke dood gestorven.
En dat zuster Maureen…. DAT VERGEEF IK HEM NOOIT!!!!”
Toen keek hij Maureen recht in de ogen.
“Maureen” zei hij ineens.
“Gij hebt enige tijd geleden uw dochter verloren hé, is het niet”?
“Ja." Zei ze stilletjes. “Het is nu al twee jaar geleden dat mijn lieve Nathalie veel te vroeg het leven liet.”
Charles greep haar hand vast, ze voelde zijn trillende hand in de hare.
“Ik wil geiren uw verhaal doen aan u, en alleen aan u. Want alleen iemand die iemand heeft verloren die hij of zij graag zag. Begrijpt wat ik bedoel.”
Hij ademde diep en vervolgde.
“Jonge mensen begrijpen niet waarom mensen zoals ik die de gruwelen van de oorlog van dichtbij meemaakten zo diepe haat koesteren tegenover zwartzakken, collaborateurs en anderen die meeheulden met de Duitse bezetters.
Maar gij hebt iemand verloren die nauw aan uw hart lag. Ik weet zeker dat als ik aan u mijn verhaal doe.
Dat gij mij gaat begrijpen Maureen.”
En Charles begon zijn verhaal.
Een hartverscheurend verhaal.

Mei 1940.

De Duitsers vielen ‘De Lage Landen’ en het noorden van Frankrijk binnen.
In het luchtruim domineerden de Messerschimdts, Stuka’s, Junkers en andere vliegtuigen van de ‘Luftwaffe’.
De ene stad na de andere werd ingenomen door Duitse soldaten, en daverde onder hun dreunende laarzen.
Mensen sloegen op de vlucht voor het oorlogsgeweld. Vooral de ouderen hadden in hun achterhoofd nog de herinneringen aan de gruwelen die zich voltrokken toen de Duitsers in 1914 ons land binnenvielen.
Duizenden staken de grens met Frankrijk over. Ook daar was de vluchtelingenstroom enorm.
Een hele mensenmassa bewoon van oost naar west. Op de vlucht voor de oprukkende Duitse troepen.
Onder hen bevond zich het gezin Dewolf.
Vader Jef, moeder Fien en hun vijf kinderen. Marcel, Rosalie, Staf, Marie en Tuur.
Jef Dewolf was een eenvoudige fietsenmaker in een kleine Vlaamse provinciestad.
Hij herstelde rijwielen en maakte triporteurs, die gretig aftrek vonden bij leurders, werklui en anderen die het geld niet hadden om een bestel of andere auto te kopen om dingen mee te vervoeren.
Jef Dewolf werd dan ook simpel ‘Jefke de velomaker' genoemd, of nog eenvoudiger. 'Jefke Triporteur'.
Hij was een harde werker die leefde voor zijn gezin.
Fien beredderde het huishouden, en kreeg hiervoor hulp van haar oudste dochter Rosalie.
Zij was de lieve maar vaak ook strenge grote zus voor haar jongere broertjes en zusje die maar al te graag kattenkwaad uithaalden en onder elkaar kibbelden.
Met twee ‘triporteurs’ één voor de bagage en een waarop de jongste kinderen plaats konden nemen. En Marcel en Rosalie op hun eigen fiets.
Baande het gezin Dewolf zich een weg naar Frankrijk.
Het feit dat ze over stevige fietsen en triporteurs beschikten maakte dat ze goed konden opschieten.
Zo waren ze al na enkele dagen diep in Frankrijk geraakt.
Gendarmes gaven de vluchtelingen de raad om naar Abbeville te trekken.
Daar werd volgens hen een groot vluchtelingenkamp opgetrokken waar ze een onderkomen konden vinden en veilig zouden zijn voor het oprukkende oorlogsgeweld.
Regelmatig moesten ze op hun vlucht opzij gaan voor legerkonvooien die troepen en materieel brachten naar het front.
Ook de Engelsen kwamen ter hulp.
In zowel elke haven aan de Noordzeekust meerden  Britse schepen aan met troepen en materieel.
Dat werd zo snel mogelijk naar het front gebracht.
Op een bepaald moment moest de eindeloze stroom vluchtelingen weer aan de kant voor een oprukkend konvooi.
“Allez, a la coté.” Brulde een gemotoriseerde gendarme de vluchtelingen toe.
Iedereen ging aan de kant.
Achter de gendarmes reden zeker dertig Britse tankwagens.
De tanks waren gevuld met benzine, voor de tanks en andere legervoertuigen aan het front.
De jongens keken vol ontzag naar deze vrachtwagens.
In het stadje waar ze woonden reden er maar een stuk of tien vrachtwagens rond.
Nu zagen ze er zeker honderd voorbijrijden. Die waren even opwindend als de tanks en ander legermateriaal dat ze zagen voorbijrijden.
Tuur zat enthousiast te wippen in de triporteur en roepen, “zo’n grote camions amaaai!!!!"
 Vader Jef gaf hem een klap op het achterhoofd.
“Zit stil snotjoenk, straks valt ge deruit.”

Toen ineens hoorde hij de stemmen verstommen.
Een luid gebrom werd hoorbaar.
Hoofden keken omhoog.
Naar twee grijze stippen hoog in de azuurblauwe lucht.
De zon weerspiegelde in de zilvergrijze stippen die vliegtuigen bleken te zijn.
Duitse vliegtuigen.
In een duikvlucht kwamen ze naar beneden.
Ouderen maakten een kruistekens, vrouwen begonnen te schreeuwen, moeders namen hun kinderen in hun armen.
Vader Jef schreeuwde.
“Marcel, Rosalie, lot ulder velo liggen, springt over die gracht en loopt…. LOOPT ZEG IK JULLIE !!!!!”
Ze deden wat vader hen opdroeg.
Ook vader Jef sprong over de gracht en riep naar zijn echtgenote. "Smijt de klein mannen naar mij rap een beetje.”
Rosalie, pas vijftien geworden.  Besefte de ernst van de situatie en begon te rennen.
Achter haar hoorde ze hoe er onder de menigte paniek uitbrak.
Het geluid van de Stuka’s in duikvlucht, de salvo’s van mitralleurschoten. En de eerste tankwagens die ontploften.
De knallen werden luider, alsook de gruwelijke kreten van de mensen langs de kant van de weg die door de ontploffingen en de hoog oplaaiende vlammen werden verteerd.
Ze zag mannen, vrouwen, kinderen lopen over de akkers, brullend van de pijn.
Het waren levende toortsen, verteerd door het allesvernietigende vuur dat om zich heen sloeg.
Ze wilden weg van het vuur, weg van die verzengende hitte.
Maar voor hen was het te laat.
Toen begon de grond ineens te trillen en te daveren.
Brokstukken vlogen om Rosalie haar frêle lichaam.
Ze liet zich plat op de grond vallen, en verborg haar hoofd onder haar handen.
Hoever ze al ver van de weg was, voelde ze de verzengende hitte die de ontploffende tankwagens veroorzaakten.
Ze hoorde de vreselijke kreten van mensen die door de immense vuurzee werden verteerd.
Eén van de Stuka’s scheerde rakelings boven haar en steeg dan weer op, hoog in de blauwe hemel met hier en daar witte schapenwolkjes.
Het leek wel of de piloten lol hadden in het vreselijke drama dat ze zonet veroorzaakten.
Hoog in de hemel bekeken ze de gruwelijke daad die ze zonet hadden voltrokken.
Hoog laaiden de vlammen op, heet was het vuur dat zich over de hele weg tot ver over de greppel verspreide.
De kreten van mannen en vrouwen, kinderen en  ouderlingen die in die vreselijke vuurzee een afgrijselijke dood stierven gingen door merg en been.

Uren later.
Rosalie stond recht.
Ze keek om en zag de brandende tankwagens. Ze rook de geur van benzine en verbrand vlees.
Ze zag in het vuur het silhouet van een brandende triporteur.
Ze wist het.
Haar ouders, en haar lieve broertjes en zusje.
Waren in de gruwelijke vuurzee om het leven gekomen.
En Marcel? Die was nergens te bekennen.
Ze was alleen, zonder ouders, zonder familie.
In een vreemd land waar men een taal sprak die ze nauwelijks verstond, buiten ‘bonjour monsieur, madame’, ‘tous vas bien’? ‘Au Revoir’ en nog een paar eenvoudige woordjes.
HOE MOEST HET NU VERDER???


Drie jaar later!
Het jaar 1943.
Het leven gaat weer zijn gewone gang in de provinciestad waar Rosalie Dewolf opgroeide.
Toen België en Frankrijk capituleerden moesten de vluchtelingen terug naar huis.
Rosalie werd opgevangen door ‘Nonkel Frans’ en ‘Tante José’.
Nonkel Frans was de broer van haar moeder.
En was cafébaas in een volkse wijk aan de rand van de stad.
Rosalie hielp er als dienster als haar dagtaak in het naaiatelier erop zat.
Al voor de inval van de Duitsers werkte Rosalie als naaister in het atelier.
Ze naaide, stikte en verstelde als de besten.
Voor de naaister die als eersten met haar stukken klaar was had de bazin altijd een extra premie klaar.
Rosalie rijfde veel premies binnen.
Extraatjes voor haar familie.
Haar familie die ze zo hard miste.
Haar moeder en vader. Haar lieve broertjes en zusje. Haar  broer Marcel, die met de noorderzon verdwenen leek.
Ze zag hem lopen ver voor haar.
Weg van die weg, van die brandende tankwagens, van die golven van paniek.
Hij kon niet dood zijn, dat wist ze zeker.
Maar waar was hij dan?
Waarom werd hij ook niet onder leiding van de Duitsers teruggebracht.
Rosalie herinnerde zich de lange rit in een grote muffe Duitse legercamion.
Samen met hele gezinnen op weg naar haar thuisstad.
Waar het leven weer gewoon verder ging.
Zo goed en zo kwaad het kon.
Met verdriet in haar hart.
Verdriet om vader en moeder, en broertjes en zusje.
Elke herinnering aan hen sneed haar telkens weer door hart en ziel.
Maar nog dieper dan het vreselijke verdriet, was de HAAT!!!!
Haat jegens de Duitse  bezetters.
Die smerige moffen door wiens schuld haar ouders en broers en zusje een vreselijke dood stierven.
En door wiens schuld vrienden en bekenden van haar werden weggevoerd.
“Wat komen die smeerlappen zich moeien?” Vroeg ze zich af.
“We hebben hen toch niet gevraagd om hier de wetten te komen stellen”.
"Swingtanzen Verboten." Hing er aan de deur van het café van ‘Nonkel Frans’.
‘Swing’ was in de ogen van de nazi’s 'door Joden geproduceerde negermuziek'. En dus zwaar uit den boze.
Vader had een radio in zijn atelier, en constant was er muziek te horen.
Ja ook swing.
‘In The Mood’ van Glenn Miller. ‘The Ramblers’.
Dit soort muziek.
Rosalie hield ervan.
Maar van de Duitsers mocht het niet.
Het maakte haar haat alleen maar groter.
“Gaan zij een beetje bepalen waar wij naar mogen luisteren en naar wat niet?
We hebben die ZWIJNEN toch niet geroepen? Dat ze weerkeren naar hun ‘Schönen Westenwald’ Godverdomme!!!!"

Rosalie had een geheim.
Ze zat bij het verzet.
Niet lang nadat ze Charles Verschelden leerde kennen.
Charles was een knappe verschijning.
Robuust en stevig lichaam, heldere blauwe ogen,
Kortgeknipte blonde haren en een hartverwarmende glimlach.
Het was haar niet ontgaan.
Ze was geen kind meer.
De oorlog in het algemeen en de dood van haar ouders, broers en zusje maakten in één klap een einde aan haar zorgeloze jeugdjaren.
Ze was volwassen geworden.
Hoewel ze diep in haar hart verscheurd was door verdriet en haat, haat tegen de Duitse bezetters.
Besefte ze dat het leven voortging.
Er was geen tijd om te treuren en te janken.
Het leven ging  voort.
Er moest geld in het laadje komen en brood op de plank.
Het waren harde tijden.
Vooral voor de arme volksmensen.
Om de ellende te vergeten was alles goed voor de mensen om zich te verstrooien.
Er was de cinema, de ‘bonte avonden’ in het café van Nonkel Frans.
En natuurlijk de illegale danspartijtjes waar men grammofoonplaten met verboden swingmuziek liet afspelen.
Het was op zo’n illegaal dansfeestje in een achterafzaaltje van Café De Zwaan het café van Nonkel Frans, waar ze Charles leerde kennen.
Charles Verschelden was voor de oorlog een niet onverdienstelijke wielrenner.
Zoals dat toen ging in die tijd stond hij elke zaterdag en zondag voor dag en dauw op om ergens te aan een ‘velokoers’ te gaan deelnemen. Vaak moest hij uren rijden naar het dorp of de stad waar de wedstrijd plaatsvond.
Of reed hij met fiets en al mee met de trein.
Daarna de koers rijden en dan die hele lange rit weer naar huis.
Maar daar zag hij geen graten in. Het was het prijzengeld dat hem motiveerde.
Hij reed vele premies bij elkaar en kon zo een schoon sommetje bij elkaar sparen.
Hij mocht zelfs meerijden in De Ronde Van Vlaanderen als knecht voor de grote Sylveer Maes.
Een mooie wielercarrière lag voor hem.

Maar toen kwam de ‘mobilisatie’ en dan de oorlog.
Charles werkte in een drukkerij, waar hij begon als leerjongen en het schopte tot ploegbaas.
Hij was een leiderstype die met beide voeten stevig op de grond stond. Maar hij werd zoals velen opgeroepen om het vaderland te te dienen.
Toen de achttiendaagse veldtocht erop zat en België capituleerde, keerde hij terug naar zijn geboortestad. Waar hij ’s nachts in de drukkerij clandestiene krantjes en vlugschriften drukte in opdracht van het verzet.
In eerste instantie voor het geld en de extra rantsoenzegeltjes die eraan vast hingen. Maar hoe langer hoe meer ook uit overtuiging.
Rosalie was zot van Charles.
Ze vond hem een knappe man, en een goed danser.
Het duurde niet lang of ze spraken ’s avonds stiekem af in het steegje achter de drukkerij.
Daar omhelsden ze elkaar en keken ze elkaar diep in de ogen.
Waarna een innige kus volgde.
“Charelke." Fluisterde Rosalie zachtjes. “Ik zien u toch zo geire.
Als ik in uw ogen kijk dan voel ik in mijn hartje een steek.
Ik voel me zo geborgen in uw sterke armen Charelke”.
Charles drukte haar dicht tegen zich aan en streelde zachtjes haar lange krullende blonde haren.
“Mijn Rosalieke". Fluisterde hij dan zachtjes.
Rosalie haalde diep adem, verzamelde haar moed.
En vroeg hem… “Toe Charelke, ik zou zo graag toetreden bij het verzet. Ik zou echt zo graag meehelpen om het die smerige moffen zo moeilijk mogelijk te maken.”

Charles zuchtte…
“Rosalie. Ge weet toch hoe gevaarlijk het is.
Die Duitsers dat zijn smeerlappen, vooral die gasten van de ‘Gestapo’ en de SS.
Als ge in hun handen valt, dan zijn de gevolgen niet te overzien.
Weet ge dan niet aan welke vreselijke martelingen, aan welke verschrikkelijke ‘tortuur’ ze mensen die ze van verzetspraktijken verdachten blootstellen”?
Rosalie boog het hoofd.
“Charles.” Zei ze met een snik in haar stem.
“Mijn ouders, broers en zusje zijn gestorven daar in Frankrijk in die verschrikkelijke brand.
Hun geschreeuw en dat van de andere vluchtelingen, dat gaat me door merg en been.
Ik hoor nog elke nacht als ik in mijn ‘beddeke’ lig die vreselijke kreten.
Nog altijd heb ik de verschrikkelijkste nachtmerries.
Dat is een ‘tortuur’ Charles.
Ik zou het mezelf nooit vergeven, machteloos te staan toekijken hoe die ‘worstenfretters’ hier hun gang maar gaan, mensen arresteren of in koelen bloede doodschieten.
Heelder families uit elkander rukken. Enzovoort.
Ik heb niets meer te verliezen Charles.
Ik ben een eenvoudig meiske dat overdag stikt en naait tot haar vingers ervan bloeden. En ’s avonds dronkenlappen en zeveraars van slap fluitjesbier en aangelengde jenever voorzie.
En dat allemaal voor een schamel loontje en wat rantsoenzegeltes.
Welke toekomst heb ik?
Geen!!!
Niet zolang die smerige nazibende hier in onze straten loopt te marcheren en paraderen met een air van hier tot in Berlijn.”
Ineens knoopte ze haar blouse open. Haar decolleté was goed zichtbaar.
Ze nam Charles zijn handen vast en legde die op haar borsten.
“Schoon hé, Charelke.... " Zei ze met een kirrend stemmetje.
“Ik weet wel dat ge meer wilt dan alleen maar kuskes geven en mij dicht tegen uw ‘gilet’ trekken hier in ’t steegske in de duisternis van de nacht.
Maar ik weet dat ge dat nooit durft vragen, want ge zijt ‘nen deftige jongen’. En deftige jongens doen zo geen voorstellen.
Ge denkt, ‘ik zal maar braaf zijn en wachten met dat soort dingen tot we getrouwd zijn’. Maar intussen denkt ge, ‘waarom niet? Waarom niet er eens van profiteren als niemand het ziet’.
Da’s geen schande hé Charelke.
Ik denk dat ook.
Dat had ge niet verwacht van mij hé.
Van het lieve, brave Rosalieke.”
Charles kreeg een kleur. Hij moest er ook even mee lachen.
“Gij zijt een deugnietje hé.” Zei hij.
“Gij niet dan?” Zei Rosalie schalks. Om hem dan lekker lang en vol passie te kussen.
“Gij meent dat hé, gij wilt echt bij het verzet hé.”
“Ja.” Zei Rosalie zelfzeker.
“Ik wil bij het verzet, ik weet dat ze daar niet happig zijn om vrouwen toe te laten.
Hoewel die er zijn, en in Frankrijk en Holland nog veel meer.”
Rosalie slaakte een diepe hartstochtelijke zucht.
“Ik wil echt meedoen Charles. Wat de prijs ook moge zijn die ik zal betalen voor die ene wens die ik heb. Namelijk die Duitsers laten weten dat ze niet ongestraft kunnen doen wat ze met mijn familie en al die andere onschuldige mensen deden.”
Charles peinsde.
“Ik zal mijn best doen om voor u een goed woordje te doen Rosalie.” Zei hij.
En gaf  haar een zoen op haar mond.
“Beloofd? Vroeg Rosalie.
Beloofd!" Antwoordde hij. "Op mijn erewoord."
Rosalie beantwoorde dat met een speelse kus, terwijl ze zijn kont vastgreep en haar onderlichaam tegen het zijne wreef.
“Als ge ervoor kunt zorgen dat ik erbij mag Charles…
Dan schenk ik u MIJN LICHAAM!!!!!”
Daarbij keek ze Charles diep in de ogen en lachte lief en verleidelijk naar hem.
Waarna ze hem een hartstochtelijke kus gaf.