dinsdag 5 september 2017

Verborgen fortuin 4


De rust in de Pyreneeën werd bruut verstoord door het typische dokkerende geluid van een Harley Davidson die door de haarspeldbochten slingerde waaraan maar geen einde leek te komen.
Sheila was al drie dagen onderweg met haar Harley.
De eerste dag reed ze tot even voorbij Parijs, voornamelijk over snelwegen.
Dan verliet ze de snelweg en reed langs voornamelijk rustiger lokale wegen door het Franse landschap. Tot ze stopte bij een rustige Auberge waar ze na een heerlijke maaltijd de nacht doorbracht.
De tweede dag reed ze dan door tot vlakbij Toulouse waar ze dan de stad verkende en gezellig iets at op een terrasje.
En 's anderendaags dokkerde ze de Pyreneeën in.
Ze genoot van de rust, de weidse landschappen en het heerlijke gedokker van de motor van haar Harley.
Dit was voor haar leven.
Stiekem zou ze nu het liefst haar helm afzwieren en haar haren los in de wind laten wapperen.
Maar ze besefte te goed de gevaren van het rijden zonder helm.
Ze stopte bij een flauwe bocht en legde de motor van haar Harley stil.
Ze stapte af en liep tot bij de rand van een toch wel behoorlijk diepe afgrond en keek naar het prachtige landschap.
Er was geen enkele andere auto te horen of te zien.
Er was alleen de stilte.
Sheila zette haar helm af.
Voelde de wind in haar blonde haren.
De zon op haar huid.
Het was eind april.
In België was het waarschijnlijk weer aan het regenen, zoals het de dagen voor haar vertrek ook haast elke dag regende en er maar geen einde kwam aan de voorbijdrijvende grijze wolken.
Hier was de lucht blauw.
En zuiver.
Ze haalde diep adem.
"Verdomme!" Dacht ze bij zichzelf.
"Zo e poar dagen in de bergen met e tentje.
Da zoedt de max zien.
Neeje echt."Ze zette haar helm terug op, startte haar motor opnieuw en reed verder.
Ze had een plan.
En niets kon haar daarvan weerhouden.
Die middag nog kocht ze in een filiaal van een grote keten van sportwinkels een tentje en klimmers materiaal, alsook in een supermarkt mondvoorraad voor de komende dagen.
's Avonds checkte ze in in een klein hotelletje in een bergdorpje niet ver van de Spaanse grens.
Ze at een stevige lokale stoofpot met een flesje 'vin du pays' en ging dan vroeg naar haar kamer waar ze nog wat las in bed.

De volgende ochtend was ze al vroeg op pad.
Het dorpje waar ze logeerde lag al ver achter haar.
Er was alleen nog de stilte, zelfs de drukke baan die door het dorpje liep was niet meer te horen.
Sheila stapte stevig door, haar rugzak goed omgegord en aan haar rugzak vastgemaakt haar tentje.
Eindelijk leek het haar te lukken om haar gedachten wat te ordenen. De spanningen tussen haar en Pieter, de stress van het slecht lopen van de zaken waar hij zich niets van leek aan te trekken, de onbetaalde rekeningen, de aanmaningen, de schulden, de ontevreden klanten.
Eindelijk kon ze het van zich afzetten.
Wat had ze zich toch in die vent vergist.
Nog maar eens.
Nog maar eens had ze zich zo schromelijk vergist in een man.
Ze kon zichzelf wel voor de kop slaan.
Ze zetten zich even op een stuk boomstronk en luisterde naar de stilte.
Hier was geen mens te bespeuren.
Ondanks het feit dat de weg die ze volgde een onderdeel was van 'El Camin'.
Oftewel de oude pelgrimsroute naar Santiago De Compostela.
Dat verraadden de schelpjes langs boomstammen of op palen langs de weg.
Ze dacht aan de avond nadat ze wegging bij Pieter.
En bij Lou verzeild geraakte.
Aan hoe ze in zijn armen lag.
Hoe geborgen ze zich voelde.
Met hem klikte het toch zo goed.
Maar ze wist. Een relatie met hem zat er niet in.
Niet alleen zat het verdriet om zijn geliefde Gracienne nog veel te diep.
Hij wilde ook geen relatie.
Vond dat allemaal maar 'klef' gedoe dat alleen maar uitmond in drama's en bitterheid.
Da's alleen maar schoon in de 'kleffe voddeboekskes' en 'flauwe zemeltrezenfilms' zoals hij het altijd zei.
Ze begreep hem wel.
Ze had het zelf teveel meegemaakt.
Op dit moment moest je haar ook niet spreken over 'een relatie'.
"Fuck wat hein 'k genoeg van ol dat gezeiver. El ol die totentrekkerie.
Ol voe de schone schien.
Neeje 'k bluuvn toene nog liever een oede vrijster."
Dan stond ze weer echt en trok ze verder.
Dieper de bergen in.
Waar het landschap woester werd.
En waar je alleen jezelf kon terugvinden.
Na een lange dag stappen zette ze haar tentje op een licht glooiende berghelling met een prachtig vergezicht.
Ze maakte een kampvuur aan en genoot van een machtig mooie zonsondergang.
Ze liet haar gedachten stromen.
Alsook haar tranen.
Met Sandra in gedachten.
En Graziella.
En Kathy, haar jeugdvriendinnetje.
En Gracienne over wie Lou zo vaak en vooral zo graag vertelde.
En alle anderen die veel te jong en te vroeg gingen.
Ook mijmerde ze over de vele reizen die ze als jonge meid maakte.
Doorheen Europa met haar Harley.
Over haar tijd bij de paracommando's, ze was één van de weinige vrouwen die de harde proeven doorstond en tot verbazing van velen schopte ze het zelfs tot instructeur.
Ze dacht aan de mensen die ze in haar 'wilde jaren' leerde kennen.
En vroeg zich af wat er van hen geworden was?
Ze voelde de avondkilte en merkte dat het vuur langzaam begon te doven.
Eens de zon achter de bergen was zocht ze haar tent op en kroop diep in haar slaapzak, echter niet nadat ze nog wat sprokkelhout op het kampvuur gooide.
Want het scheen dat er in de Pyreneeën roedels wolven waren waargenomen.

De volgende ochtend was Sheila opnieuw op pad.
Ze liep over een smal bergpaadje met rechts van haar een diepe kloof.
Eronder stroomde een bergriviertje dat ze kon horen stromen tot boven, ofschoon de afgrond enorm diep was.
Ineens zag ze dat ze niet alleen was.
Ze zag verderop iemand langs de steile rotswand naar beneden klimmen.
Hij droeg een helm en had klimuitrusting bij.
"Een speleoloog." Dacht Sheila.
"Lijkt me wel interessant om de vele grotten te verkennen," dacht ze.
"En sourtout, spectaculair."
Ze liep verder.
Moest goed op haar tellen passen want het paadje was erg smal en de kloof diep.
Ineens hield ze halt.
Hoorde ze nu iemand roepen?
Ze hield de adem in.
"Aux secours!!!" Klonk het.
"Aux secours sils vous plais!!!"
Het kwam van vlak onder haar.
Een man klampte zich wanhopig vast aan de rotsen en met één hand aan een jong boompje waarvan de wortel er al half uitgerukt was.
Ze herkende de helm die hij droeg, het was de speleoloog die ze daarnet zag afdalen.
"Me ziele ghods." Dacht Sheila terwijl ze het touw van haar rugzak losmaakte.
Ze wist, ze moest niet denken maar doen.
Ze nam haar touw en maakte het vast aan een boom.
Dan liet ze zich naar beneden glijden.
Ze bereikte de man en stak haar hand uit.
"Tenir, je suis la." Zei ze.
Ze reikte hem de hand en gaf hem de gelegenheid om zijn voeten te laten steunen op de rotsen.
"Merci." Zei de man stamelend.
Hij beefde als een rietje.
"Je ghie vele chance ghad." Zei Sheila binnensmonds.
Hij keek haar aan.
"Zijde gij een Vlaamse?" Vroeg hij.
"Yep.
Ben opgegroeid in Bulskamp, maar woon intussen wel elders." Antwoordde Sheila.
Ze hielp hem het touw rond zijn middel te binden.
"Blijf hier, ik klim naar boven en dan trek ik je op." Zei ze.
Eens de jongeman boven was reikte ze hem haar veldfles aan en liet hem drinken.
"Bedankt." Zei hij "Mijn naam is Jens, wat is de jouwe?"
"Sheila." Antwoordde ze.
"Nogmaals bedankt Sheila. Je hebt me het leven gered."
Ze legde haar hand op zijn dij.
"Ik deed mijn plicht." Zei ze.
Ze bekeek zijn oog.
"Dat komt toch niet van die val." Zei ze terwijl ze ernaar wees.
Zijn oog was helemaal blauw.
"Het was geen val." Zei de jongeman.
"Ze wilden me dood."
"Wie?
Wie wilde je dood?" Vroeg Sheila.
"Mijn metgezellen.
Kan ze geen vrienden meer noemen.
Godverdomme.
Had ik dat geweten.
Dan had ik ze mijn hulp niet aangeboden.
Klootzakken.
Godverdomse fucking klootzakken."
Jens boog het hoofd.
Begon te huilen.
"Hey." Zei Sheila.
"Niet huilen man.
Je leeft.
Je bent er nog."
"Ja dat wel.
Maar ze hebben het plan.
Dat leidt naar de schat."
"Welke schat?" Vroeg Sheila.
"Van de familie Bachmann.
Was onlangs in de krant en op TV."
"Ja dat klopt." Zei Sheila.
"Maar daar was toch geen plan van? Of wel."
"Toch wel." Zei Jens.
"Er was een plan.
En dat plan was in het bezit van één van de mannen die beroep op mij deden.
Ze beloofden mij een derde van de winst.
Maar liefst Twee miljoen, vijfhonderd duizend Euro.
Daarmee kon ik wel mijn dromen waarmaken ja."

Toen begon Jens te vertellen.
"Ik ben een ervaren bergbeklimmer en speleoloog en ben een erkende gids.
En ken deze streek op mijn duimpje.
Hier kom ik tot rust.
Ver van de stress en de drukte.
Het geeft me een kick om steile rotsen te beklimmen, of af te dalen.
Om in grotten op verkenning te gaan en langs smalle bergpaden op verkenning te gaan. En dan 's avonds doodmoe in de tent te kruipen.
Maar in België heb ik een gezin en een job.
Zeg maar gerust, een doodsaaie kantoorbaan.
En een leventje van dertien in één dozijn.
's Morgens op een onzalig uur opstaan, dan zitten knikkebollen in de file en dan een hele dag doorbrengen met afgestompte collega's onder leiding van een baas die vastgeroest zit aan regels en geboden
Daar waar ik als jonge kerel amper weg te slaan was uit de bergen, kom ik er nog amper.
Door de geboorte van mijn zoontje is het zelfs meer dan een jaar geleden dat ik nog een berg of grot van dichtbij gezien heb.
En dan kom je een oude studiegenoot tegen.
Dieter Vloeyberghs heet hij.
De kleinzoon van Dr Gaston Vloeyberghs. Intussen zelf dokter geworden.
Dit ondanks het feit dat hij liever genoot van het uitbundige studentenleven en het graag uithing in plaats van te studeren.
En ja, hij ging al eens mee met mij naar de bergen.
Beetje fun maken, raften, klimmen, hiking, eens een grot verkennen. En 's avonds bij het kampvuur schuine moppen tappen met een blik bier in de hand.
Leuke tijd. Helaas groeiden we na een poosje uit elkaar.
Trouwen, kinderen, ge kent dat wel.
Maar dan ineens stond hij er weer.
Hij had een plan.
"Die beloning van 10 miljoen Euro van de familie Bachmann.
Die kan van ons zijn!
Maar dan moet gij ons helpen." Zei hij.
Ik wilde wel.
Ik ging akkoord met twee miljoen vijfhonderduizend Euro.
Dat was meer dan genoeg.
Kon ik eindelijk mijn droom waarmaken.
Een eigen opleidingscentrum beginnen.
En mensen les geven in alpinisme en speleologie."
Jens keek voor zich uit.
"Maar je metgezellen hebben de grot toch niet bereikt. Ofwel?" vroeg Sheila.
"Daarboven." Zei hij.
Die spleet in de rotsen.
Geeft toegang tot de grot waar wijlen Anatole Honorez zijn schatten heeft verborgen.
En je moet goed kijken.
Tussen de rotsen zitten haken waar je touwen in kunt vastmaken.
Ze zijn oud en verroest.
Maar ze zitten verdomd goed vastgemaakt.
Die Anatole Honorez wist waar hij mee bezig was.
"Fuck!" Zei Sheila.
"Dus hier achter deze rotspartij zit een schat die miljoenen waard is verborgen."
Jens knikte.
We hadden foto's genomen van de schat.
En Dieter nam enkele goudstaven en wat diamanten en juwelen mee, zogezegd als bewijs.
Dan daalden we af naar beneden.
Toen...
Greep Dieter me vast.
"Bedankt voor je hulp, maar we hebben je niet meer nodig." Zei hij.
En hij duwde me.
Ik dacht dat mijn laatste uur geslagen was."

Sheila bekeek Jens van top tot teen en besefte, er klopte iets niet.
Eigenlijk klopte er gewoon niets aan heel zijn verhaal.
"Ik wil die schat wel eens zien." Zei Sheila.
"Wel," reageerde Jens. "Ik wil u die graag tonen."
"Maar mijn voet doet pijn en ik zit onder de schrammen.
En ik wil klacht neerleggen tegen Dieter Vloeyberghs en zijn kompaan Marco Breughelmans."
Sheila voelde hoe elk haartje van haar lichaam overeind ging staan toen ze die laatste naam hoorde.
"Heb je de foto's van de schat nog?" Vroeg ze.
"Staan op mijn digitale camera, maar die ligt beneden in de ravijn." Zei Jens.
"Wat jammer." Zei Sheila grinnikend
"Moet ik je nu geloven?"
"Hoe bedoel je?" Vroeg Jens.
"Denk je dat ik hier wat sta te verzinnen of wat?"
"Ja." Zei Sheila zonder enige stemverheffing.
"Fucking klotewijf!! Ik werd net door die twee mannen de ravijn ingegooid hé.
Had ik me niet kunnen vastklampen dan lag mijn karkas nu in die kolkende rivier ja."
Sheila legde zijn hand op zijn schouder.
"Gij denkt echt dat ik een  onnozele trees ben hé.
Dat ge hier met een tuttebel te doen hebt die ge gelijk wat kunt wijsmaken.
Wel jongen, maar dit slaat wel hard tegen voor je.
Ten eerste: Ik ben een ex-paracommando, ik heb bakken ervaring met het overleven in een ruig gebied als dit. En daar ik het bij de para's tot instructeur geschopt heb weet ik als geen ander hoe je je uitrusting correct aanbrengen moet. En voor iemand die beweert berggids te zijn is het in jou geval maar zeer pover gesteld moet ik zeggen.
Ten tweede: Ben ik een gebrevetteerde privé detective.
Ten derde: Mijn tent stond opgesteld op die helling ginder, en ik zag je die rots hier afdalen.
Alleen.
Moest je echt van die afgrond geduwd zijn dan moest ik je kompanen ofwel tegengekomen zijn ofwel zien lopen in de verte. En dat was niet het geval. Hier was en is nog steeds in de weidse verte geen hond te bespeuren, behalve jij en ik.
Ten vierde: Zei je dat je in de ravijn werd geduwd, maar je oog is wel blauw. Wat niet van die val kwam zoals je zei. Een leugen dus. Een groteske leugen!
Ten vijfde: Je had al je uitrusting omgegord. Hoe kan dat als je meteen bij voet aan de grond de afgrond werd ingeduwd. En alle touwen zijn verwijderd tussen de grotopening hier boven ons en het pad hier.
Ten zesde: Als je van dergelijke steile afgrond zou gegooid worden heb je geen schijn van kans, de vaart die je erop aanhoudt is te snel om je ook maar aan iets te kunnen vastklampen. En al zeker niet aan zo'n jong boompje."
Dan greep Sheila Jens vast en duwde hem tegen de rotswand.
"En tot slot... Je noemde de naam Marco Breughelmans.
Zal ik je wat zeggen kereltje?
DIE KEN IK TOEVALLIG!
En ik ken hem als een eerlijk mens.
Een kerel uit één stuk.
Iemand waar gij niet eens aan kunt tippen... Huftertje.
En gij wilde die een valse aanklacht aan zijn broek smeren.
Terwijl hij na een ellendige rotjeugd iets van zijn leven probeert te maken.
Wel jongen... Ik dacht het niet!
Ghodverdomschen onnozeloare!"
Sheila was nu echt razend.
"Nu voor de dag ermee! Waar zijn je kompanen?"
Ze keek Jens met een nijdige blik aan. Haar lip beefde van pure woede.
"In... In de grot." Zei Jens.
Bij de schat.
Heb de touwen naar boven getrokken, ze kunnen niet weg.
Enfin, dat kunnen ze wel. Als ze één van de andere uitgangen vinden.
Ik wilde ensceneren dat er een aanslag op mijn leven werd gepleegd. Ik zag je komen en dacht dat jij een nuttige getuige zou zijn."
"En dan vlogen je vrienden de cel in en jij hield de beloning voor jezelf.
Slim gespeeld knul.
MAAR NIET SLIM GENOEG!"


maandag 4 september 2017

Verborgen fortuin 3


Café Dinky Toys.
Druk jongerencafé in de stationsbuurt waar mensen die zich ook nog jong voelen ook van harte welkom zijn.
De vaste stamkroeg van Lou Selleslaghs.
Die we al eerder kennen uit het dieptrieste verhaal Toen... Die ene zomer.
Zoals dat in het echte leven gaat beste lezer komen ook in mijn verhalen mensen elkaar tegen.
Ontmoeten mensen met elk hun eigen verhaal elkaar.
Zoals Sheila en Lou elkaar hebben ontmoet.
Patrick Limpens die net op tijd kon verhinderen dat Rosette Pelckmans een tweede kogel door Sheila's lichaam joeg en met wie Sheila nog een stormachtige relatie had toen ze nog bij de para's was en is nog altijd een zeer goede vriend van Lou.
En zo leerde hij Sheila kennen, toen ze beiden na de kickbokstraining nog een pint gingen drinken in de Dinky Toys.
Het klikte meteen tussen Lou en Sheila.
"Les amis de mes amis sont mes amis." Zei hij hartelijk toen hij haar een schuimende pint trakteerde.
Sheila en Lou deelden dezelfde passie.
Muziek.
Ruige harde muziek.
Daar hadden ze het urenlang over.
En dit al vanaf hun eerste ontmoeting.
Lou nam haar mee naar Graspop.
En naar een concert van AC/DC in het Antwerpse Sportpaleis.
Uiteraard was Sheila één en al oor toen hij vertelde dat hij ooit met enkele maten een band had opgericht.
"Een echt groeptje? Mo how zeg... Hoe cool es dadde keirel?" Riep ze verrukt.
Zo hoorde ze ook wat er gebeurde met zijn geliefde Gracienne.
Ze zag zijn diepe verdriet toen hij erover vertelde.
Welks voor haar zo herkenbaar was.
Toen ze tien jaar was verdween haar beste vriendinnetje Kathy Geyselbrecht spoorloos.
Nooit werd er nog iets van haar vernomen.
Deze gebeurtenis tekende Sheila.
Dit was de reden waarom ze na haar tijd bij de paracommando's besloot om detective te worden.
Om zo andere mensen te helpen die met dergelijk drama geconfronteerd wordt.
Ach.
Eigenlijk deed ze het ook voor de nodige portie actie en avontuur.
Maar feit was dat er zo een hechte band ontstond tussen Sheila en Lou.
"We hebben verdomme veel gemeen dan we zouden denken." Zei Lou hierover.
Welks Sheila met een veelbetekenende blik bevestigde.

Lou zat aan de toog een pint te drinken.
En zoals vaker met een stamgast te kletsen.
Zo bracht hij menig avond door als verstokte vrijgezel die hij was.
Na de tragische dood van zijn 'Grace'ke' kon hij geen andere vrouw meer liefhebben.
Het verdriet zat te diep.
Daarom bleef hij liever alleen.
Maar 's avonds alleen thuis zitten viel hem zwaar.
Dan kwamen de herinneringen terug boven.
Daarmee dat hij haast elke avond in zijn stamcafé doorbracht.
Sheila kwam binnen en bestelde meteen een dubbele whisky.
"Hie se, onze West-Vlaamse furie." Zei Lou lachend.
Sheila liep naar hem toe en gaf hem een knuffel.
Hij keek haar aan.
"Is er iets gebeurd?" Vroeg Lou.
"Niets speciaals." Zei Sheila. "Drukke dag, veel administratief gedoe."
"Niet liegen." Zei hij.
"Er is iets.
Ik zie dat aan uw ogen."
Sheila zuchtte.
"Ach ja... Ge moogt het weten." Zei ze.
"Het is gedaan tussen Pieter en mij."
Lou sloeg zijn arm om haar schouder.
"Diene whisky is op mijne rekening." Zei hij.
"Merci." Zei Sheila.
Dan wendde ze zich tot Willem de waard.
"Is de zolderkamer vrij?" Vroeg ze.
"Ja." Zei Willem.
"Niks zolderkamer." Zei Lou die meteen tussenbeide kwam.
Hij keek haar aan.
"Gij slaapt bij mij vannacht."
"Nee dat hoeft niet." Zei Sheila.
"Ik wil u niet... "
"Tut tut tut!" Reageerde Lou.
"Gij slaapt niet alleen vannacht.
Zelfs al had je onderdak, dan nog liet ik je niet gaan."
"Wuk es dat nu voe zever?" Zei Sheila.
"Ik heb er zelf een punt achter gezet.
Het gaat niet meer tussen ons, en doarmee gedoan!"
"Sheila." Zei Lou terwijl hij haar nog indringender aankeek.
"Ge zag hem geire.
Ge waart zot van hem.
Ja toch?
Dat kruipt in uw kleren, weet ge.
Een punt zetten achter een relatie, omdat die persoon u te hard teleurgesteld heeft.
Dat doet zeer.
Is het nu niet dat het zeer doet.
Dan komt de klop vannacht wel.
Als ge alleen in uw bed ligt."
Sheila keek hem aan.
"OK." Zei ze.
"Gij wint.
Ik blijf bij u slapen.
Maar... Op één voorwaarde."
"En die is?" Vroeg Lou.
"Simpel.
Het volgende rondje is van mij.
Ik wil niet dat ge de hele avond trakteert."
Lou stak zijn hand uit.
"Deal." Zei hij.

Enkele uren later zaten ze op Lou's appartement in de zetel.
"Wat denkt ge?" Vroeg hij.
"Samen een filmke zien?"
2001 A Space Oddesey.
Mijn favoriete film en wat mij betreft de beste film ooit gemaakt.
Eigenlijk vind ik alles van Stanley Kubric top."
Je bent niet alleen hoor. Ik vind dat ook." Zei Sheila.
Ze keken naar de film, lekker languit in de zetel.
Met een glas whisky en een schoteltje met chips, blokjes kaas en salami.
"Waar ga je nu wonen?" Vroeg Lou ineens.
"Kreeg vanmiddag mail van één van de immobiliënkantoren die ik aansprak.
Mag morgen huurcontract tekenen.
Daarna mij gaan installeren.
En daarna... Mijn resterende vakantiedagen opnemen.
En zijt maar zeker dat ik ervan ga profiteren."
"Plannen?" Vroeg Lou.
"Ja en nee.
Op mijn Harley springen en nog eens richting Spanje.
En onderweg eens goed nadenken over wat ik met mijn leven wil gaan aanvangen.
Want het besef in een foute relatie te zitten doet me echt wel beseffen dat ik iets te hard begon vast te hangen aan het 'huisje-boompje-beestje' ideaal."
Lou keek haar aan.
"Het zwerversbloed kruipt toch waar het niet gaan kan hé." Zei hij.
"Nee." Reageerde Sheila.
"Ik heb dat soms nodig.
Eens weg van alles.
Alleen met mezelf.
Soms heb ik zo het gevoel dat het leven aan mij voorbij gaat.
Dat de ene dag op de andere lijkt.
En dat wil ik niet.
Ik ben na al wat er het afgelopen jaar gebeurd is te hard gaan beseffen dat het leven zo snel voorbij kan zijn.
Eerst iemand zien sterven onder mijn neus. Doodgeschoten door een gevaarlijke psychopaat."
"Die Graziella." Merkte Lou op.
Sheila knikte.
"Dat beeld blijft op mijn netvlies gebrand.
Dan zelf op een haar na aan de dood ontsnapt.
En dan... "
Hij keek haar aan.
Ze dachten allebei aan dezelfde jonge vrouw die door de handlangers van Francis Pelckmans brutaal om het leven werd gebracht.
Sandra
Die we nog kennen uit nog twee andere verhalen.
En die heel goed bevriend was met Cathy Weylandts, met wie Sheila meer dan goed overeenkomt.
Cathy werkte ook in dezelfde cocktailbar om in de weekends een centje bij te verdienen.
En nam Sheila en Sandra meermaals mee op sleeptouw wanneer ze zin had om eens een weekendje te gaan shoppen in Oostende, Rijsel of Keulen.
Sheila voelde een traan opwellen.
"'k Woaren der echt niet ghoed van toen 'k het hoorde.
't Was de dag dat ik ontslagen werd uit het ziekenhuis, na het herstellen van die schotwonde.
Een normaal mens zou dansen van vreugde wanneer den dokteur u dat komt vertellen.
Mor ek zaten te janken lik e klein kind."
Lou trok Sheila dicht tegen zich aan.
Ze liet hem doen.
Voelde het zelfs warm worden in haar hartje.
Lou was echt wel het type man waar ze voor viel.
Groot.
Lekker ruig met zijn kaalgeschoren hoofd, zijn dikke snor, zijn sik en zijn tatoeages.
De film was afgelopen.
Lou schakelde de DVD-speler uit, en de TV ging automatisch over naar het digitale netwerk.
Het NOS-Journaal was bezig.
Beelden van een persconferentie en een commentaarstem die iets zei over 'goudstaven ten waarde van miljoenen euro's'.
Lou wilde de TV uitschakelen.
"Minuutje! Loat dat eké stoan vint!" Zei Sheila op licht dwingende toon.
Ze hoorden het volgende: "De waardevolle goederen werden ontvreemd door de huisknecht Anatole Honorez die zijn werkgeefster daarna verklikte aan de nazi's.
Anatole Honorez overleed in 1960 in een Belgische gevangenis. De familie Bachmann looft een premie van maar liefst 1 miljoen Euro voor diegene die de ultieme tip kan geven over de exacte locatie van het gestolen goud, juwelen en diamanten."
"Tien miljoen euro." Zei Lou.
"Die Bachmanns zijn zo rijk als de zee diep is, maar toch hebben ze tien miljoen euro veil voor het terugvinden van een paar goudstaven, wat diamanten en een stel kitscherige juwelen.
Ze zouden beter eens wat investeren in Afrika of zo. Waar die diamanten vandaan komen die ze geplunderd hebben.
Godverdomme toch hé, daar wordt ik toch zo pissig van.
Zoveel ellende in de wereld, die zo éénvoudig kan opgelost worden. Maar mensen steken hun geld liever in al die luxe en al die dure troep."
"Je kan het een mens toch niet kwalijk nemen dat ie zijn bezittingen terug wil zeker?" Zei Sheila.
Tien miljoen euro, da's verdomd een smak meer geld dan hetgeen ik van mijn klanten krijg als detective."
Lou lachte.
"Beetje last van beroepsmisvorming Miss Marple?" Grapte hij.
Sheila lachte met hem mee en sloeg haar armen rond zijn hals.
Buiten was het aan het regenen.
Binnen was het gezellig en warm.

vrijdag 1 september 2017

Verborgen fortuin 2


Met zijn laatste krachten deed Anatole Honorez zijn verhaal, terwijl hij met zijn bevende handen een paternoster vasthield. Het enige tastbare wat hij had van zijn moeder die hem bij het weeshuis dumpte.
Over hoe hij als knecht in dienst ging van rijkelui, hun vertrouwen won en hen kostbare juwelen, diamanten en goud afhandig maakte.
Van verschoppeling tot meesterdief.
Maar het spreken viel hem alsmaar zwaarder.
Dr Vloeyberghs haalde voor de doodzieke man een glas water.
"Merci Docteur." Prevelde Anatole.
Dan vertelde hij verder over hoe hij begin jaren dertig in Parijs terecht kwam.
Ik vond opnieuw een betrekking als meesterknecht annex huisbewaarder. Ditmaal bij een Joodse bankiersfamilie.
De familie Bachmann was stinkend rijk. Hun bank Bachmann en Cie was in die tijd één van de invloedrijkste ter wereld.
De 'Pater Familias' Abraham Bachmann was een zeer streng en veeleisend man aan wie ik als meesterknecht elke dag verslag moest uitbrengen.
Alle uitgaven moest ik punctueel noteren en hij zag erop toe dat er geen cent teveel werd uitgegeven.
Hij was een zeer manipulatief persoon die mij zover kreeg dat ik het doen en laten van alle meiden en knechten aan hem overbracht. Hoe snel of traag ze werkten, hoeveel tijd ze nodig hadden om een tafel te dekken of koper te poetsen, hoe lang ze pauze namen.
Daarna kreeg ik de opdracht om de personen die naar zijn mening incompetent waren te melden dat ze ontslagen waren.
Ik moest hen ook bijsturen naar de wensen van Monsieur Bachmann.
Ik ging mee in de oude Bachmann zijn manipulatieve tirannie.
Waardoor ik zijn vertrouwen won.
Maar ik wist ook wie van de ploeg ik in vertrouwen kon nemen.
De mensenkennis die ik in mijn tijd bij de bende smokkelaars opdeed kwam hier goed van pas.
Vlak voor de oorlog stierf de oude Abraham Bachmann.
Zijn zoons waren  reeds uitgeweken naar Londen of New-York en zijn dochters werden door hem uitgehuwelijkt aan leden van rijke bankiersfamilies, waaronder de bekende familie Rothschild...
Er was alleen nog de weduwe Sarach Elouise Elisabeth Bachmann-Tobiasz. Die kortweg Madame Louise werd genoemd.
Zij was nu de enige van de familie die in Parijs achterbleef.
Toen vielen de Duitsers binnen en verklaarden zij de Joden vogelvrij.
Madame Louise vreesde voor haar leven en zodoende besloot ik om haar onder te brengen in mijn flatje in Montmartre waar ik intussen woonde. Voor het eerst sinds ik als knecht aan de slag was verbleef ik niet in het huis van mijn werkgever.
Madame Louise leefde bij mij ondergedoken.
Ik had had de sleutels van het huis en de code van de drie kluizen.
Regelmatig ging ik heen en weer naar de Pyreneeën.
Met juten zakken vol kostbare juwelen, kisten vol goudstaven en vooral diamanten... Veel diamanten!
Daarna deed ik datgene waarvoor ik Frankrijk moest ontvluchten wilde ik niet op de guillotine belanden, wat mij nog altijd te wachten staat als ik ooit een voet op Franse grond zet.
Ik gaf Madame Louise aan bij de moffen!
Ze werd gearresteerd en afgevoerd.
En ik kreeg een premie van de nazi's omdat ik een Jood had aangegeven.
Na de oorlog werd er een onderzoek aangesteld en viel de politie binnen in mijn flat.
Ze wilden mij arresteren, maar ik was net niet thuis.
Zou ook nooit meer thuiskomen.
Ik ging op de loop, kwam in dit land terecht.
Waar ik hier in de stad als knecht aan de slag ging bij het steenrijke echtpaar Van Genechten.
Die leefden van wat hun plantage in Congo die intussen geleid werd door hun zoon opbracht.
Ook zij hadden een kluis.
Vol met goudstaven.
En zakken vol met gouden munten en diamanten.
En ik.
Had een plan.
Alles was bijna rond.
Ik had een ticket op zak voor een overtocht met de 'Red-Star' naar Amerika.
Mijn koffers waren gepakt.
Het enige wat ik moest doen was voldoende goudstaven en de zakken met munten en diamanten uit de brandkast halen en dan met de noorderzon verdwijnen.
Gustave Van Genechten was bij zijn zoon in Congo, zijn echtgenote was alleen thuis.
Ik drong het bureau van Gustave binnen en begon aan het openmaken van de kluis.
Dan ging het licht aan.
Germaine, de echtgenote stond in de deuropening.
Met de tweeloop van haar echtgenoot in de aanslag.
"Votre jeux est fini, sale voleur." Zei ze.
De rest van het verhaal kent u."

De rest van het verhaal was dat Anatole uithaalde met een mes dat hij uit de keuken had gesmokkeld en de ongelukkige Germaine Van Genechten recht in het hart trof.
Daarna verdween hij met het gestolen goed en stapte hij op de eerste trein naar Antwerpen.
Waar hij op het Centraal-Station in de boeien werd geslagen en werd veroordeeld tot de doodstraf die meteen werd omgezet in een levenslange gevangenisstraf.
Dit was op 15 maart 1947.
Anatole haalde een bruine enveloppe van onder het laken.
"Vous trouverez ici un plan détaillé qui comprend des informations sur l'endroit où le trésor est" Zei Anatole.
"Mijn laatste verzoek is... Dat er iets mee wordt gedaan ten behoeve van de weeskinderen en andere verschoppelingen die nergens terecht kunnen.
Geen mens en zeker geen kind zou mogen meemaken wat ik meemaakte.
Dat is mijn laatste wens... Monsieur Docteur."
Na die woorden verloor Anatole Honorez het bewustzijn.
Hij overleed nog dezelfde dag.
Die avond zat Dr Gaston Vloeyberghs op de trein.
Hij opende de enveloppe en ontvouwde het papier dat erin zat.
Het plan was uiterst gedetailleerd en zeer secuur opgesteld.
In een zeer fijn handschrift.
Thuis stak hij het in zijn brandkast bij zijn bureau.
Niet goed wetende wat hij hiermee aanmoest.

Vijvenvijftig jaar later!
"Wet je wat daje ghe ziet?
Nen oengelofelijke Ghodverdomschen nieweirt!!!
Dat zieje!"
Sheila Verdoolaeghe was kwaad.
Razend kwaad.
Ze nam de ringmap die voor haar neus lag op het bureau en slingerde die naar het hoofd van Pieter Slembrouck.
"Maar enfin Sheila!" Zei hij terwijl hij gebukt staande haar aankeek.
"Wees nu toch eens redelijk Godverdomme!"
"Redelijk?
Redelijk?
Ek doen ier ol 't fucking werk? Van 's nuchtens vroeg tot 's avonds loate.
De administroasje, de papierwinkel, de facturen, aanmoaning'n, kortom heel de santeboetiek.
't Komt ol op mien nekke terecht.
En oendertusschen is meneire heelder dagen op zwier.
Netwerken noemt ie dadde!
Moest 't nog wat oplevern, mo nee!
Allez wa voer stroentopdrachtjes ewe ol nie ghad?
Ne stelende garçon betrappen, twee wuvn en ne vent die ulder partner bedroogn, en ne gastje van zestiene schaduwn omdat mama en papa kleinburger peijnsden dat ie an den drugs zat, mo je was geweune bie ze moksje!
Mor oendertusschen bluvn de rekeniengn wel komn hé!
En wien meug het oplossen?
Wien meugt den uutleg ghoan doen bie den boekhouder?
Sheila'tje natuurlijk.
Fuck zeg, khan 't mien wel anders voorgesteld wi an 'k ghing solliciteren bie joen als detective!"
"Sheila luister." Zei hij terwijl hij probeerde om zijn arm op haar linkerschouder te leggen.
"Bluf van mien!" Sneerde Sheila terwijl ze zijn hand van zich afschudde.
"Een eigen zaak opstarten is geen makkie, dat weet jij net zo goed als ik.
We moeten nog even doorbijten, we zullen er heus wel komen hoor."
Sheila schudde het hoofd.
"Ga je dat nu jezelf blijven wijsmaken?" Vroeg ze hem, ditmaal in het AN.
"Ga je jezelf blijven blaasjes wijsmaken?
Zie toch gewoon onder ogen dat het niet lukt.
Dat ge geen verstand hebt van zaken doen."
"Ow Sheila!" Reageerde Pieter verontwaardigt. "Nu ga je te ver!"
"Oh ja?" Zei Sheila.
"Ik kan nog verder gaan hoor als je wil.
Eigenlijk, feitelijk.
Ben jij op alle gebied waardeloos.
Gewoon waardeloos.
Je bent waardeloos in zaken.
Je bent waardeloos als detective.
Je bent waardeloos als baas.
En vooral...
Je bent waardeloos in bed!"

Ze lachte Pieter letterlijk in het gezicht uit.
"Ziet hem daar nu staan.
Grote sier maken en veel praatjes verkopen, dat kunt ge.
En dat laatste noem je dan 'netwerken'.
Wat een mop.
Weet je.
Mijn grootste fout is niet dat ik bij jou kwam solliciteren.
Maar dat ik met jou een relatie aanging.
Want dan dacht je dat het gepermitteerd was om mij als huissloofje te behandelen die al je administratie regelt en dan nog verwacht dat ik 's avonds je eten klaarmaak."
"Is dat mijn dank om er voor je te zijn nadat je maanden buiten strijd was ten gevolge van die moordpoging door Rozette Pelckmans?
Is dat mijn dank?"
"Je deed niets wat een ander niet doen kon." Zei Sheila schamper.
"Maar waarom deed je het?
Om met mij in bed te kruipen.
Ja, ik had nood aan een man, aan seks.
En je blijken van medeleven deden me wat ja.
Je had me waar je me wilde hebben hé.
In bed.
En dan verwacht je nog dankbaarheid van me ook.
Wat een mop?"

U herinnert zich vast nog beste lezer hoe privé detective Sheila Verdoolaeghe in Huize Lentebloesem aan de dood ontsnapte toen Rozette Pelckmans haar van dichtbij neerschoot, nadat Sheila de onfrisse praktijken die ze er samen met enkele andere zorgkundigen van het tehuis op nahield blootlegde.
Ze overleefde, tot opluchting van al wie haar liefhad.
Maar ook tot opluchting van Pieter Slembrouck.
Ze groeiden in die periode dichter naar elkaar toe.
Eigenlijk daarvoor al.
Het klikte snel tussen Pieter en Sheila.
Eigenlijk had hij al een crush op haar toen hij haar sollicitatiemail in zijn mailbox vond.
Met CV en foto.
Toen ze voor hem stond in levende lijve kon hij zijn ogen niet van haar afhouden.
Logisch want Sheila mag gezien worden.
Een struise boerendochter, goed voorzien zoals men wel eens pleegt te zeggen.
Maar hij ondervond ook dat ze geen katje was om zonder handschoenen aan te pakken.
In eerste instantie beviel hem dat wel.
Haar ondernemende karakter, haar onverschrokkenheid.
Ze nam initiatief, haalde hem over de streep.
Ze wist dat hij meer voor haar voelde.
En ja, zelf hunkerde ze ook naar een man.
Ook al was hij haar type niet.
'Let's give it a try', dacht ze.
Ze ging in op zijn voorzichtige avances.
Doorbrak zijn geremdheid die hij had omdat hij ergens vond dat het niet paste om met een werkneemster een relatie aan te gaan.
Maar eens die hindernis doorbroken liet hij zich gaan.
Een maand na de aanslag op haar leven nodigde ze hem uit voor een etentje.
Nog voor het dessert tilde hij haar na een lange hartstochtelijke zoen op de tafel, schoof haar rok omhoog en gaf haar een stevige beurt.
De gedistingeerde Pieter Slembrouck was verdorie ruiger en hitsiger dan ze verwachtte.

Maar al snel bleek dat ze zich in hem had vergist.
Hij was naar haar zin veel te slordig en onprofessioneel.
De zaken die hij aannam waren zelfs niet 'middelmatig' te noemen en bovendien brachten ze weinig op.
En zijn 'netwerken' waren eerder uit de hand gelopen feestjes en recepties waar hij aanwezig was zogezegd om klanten te ronselen. Maar waar hij vooral meer dronk dan goed voor hem was waarna hij met een taxi thuiskwam en meteen ladderzat in bed kroop.
Sheila hield het niet meer uit.
Dit was niet het leven waar ze naar verlangde.
Dit was niet waarom ze ooit met de opleiding tot detective begon.
De ruzies die ze hierover kreeg werden alsmaar heftiger en de passie die er in het begin van hun relatie was, was nu heel ver zoek.
"K'ent ghet!!!" Schreeuwde Sheila hem bits toe!.
"Ksien vors! 'k dien mien ontslag in en je meug je plan trekken!
Wa zeg je doarvan onnozeloare?"
Sheila liep naar de kamer boven op het tweede verdiep en pakte haar koffers.
Ze stopte 'Dikke Oscar' in de reisbench en geladen als een muilezel verliet ze het pand en stapte ze naar haar auto.
Dan reed ze weg.
Waar naartoe?
Ze wist het niet.
Eén ding stond vast.
Het hoofdstuk Pieter Slembrouck was afgesloten.
VOORGOED AFGESLOTEN!

Verborgen fortuin



Januari 1960.

Het was een dag als alle andere op de ziekenboeg van de gevangenis.
Dr Gaston Vloeyberghs liep de ziekenboeg in en liep langs de ziekbedden waarin zieke of gewonde gedetineerden lagen.
Achterin was een bed omgeven door afschermende wanden.
De ziekenbroeder die de dokter vergezelde schoof één van de wanden opzij.
Daarachter lag een oude man.
Zijn hoofd weggezakt in het kussen, zijn ogen diep in hun kassen.
Zijn lippen trilden en zijn wangen waren ingevallen.
Het was duidelijk dat de man zijn dagen geteld waren.
Dokter Vloeyberghs zette zich op de stoel naast het bet.
"Ca va Anatole, pas beaucoup de douleur aujoud'hui?" Vroeg hij.
De oude man draaide zeer moeizaam het hoofd.
"La fin c'est proche Monsieur Docteur." Antwoordde Anatole. "Het einde is nabij.
Wat kan er meer gezegd worden?"
"Moet ik de almoezenier erbij roepen?" Vroeg Dr Vloeyberghs.
"Non... laisse-le sortir le salopard." Siste Anatole giftig.
"Laat die smeerlap hier buiten."
Zijn lip trilde nu nog meer.
Woede was in zijn doffe ogen te lezen.
"Kijk Anatole." Zei Dr Vloeyberghs. "Je verzoek voor vrijlating voor medische en humane redenen is helaas verworpen.
Meer kunnen we niet meer doen.
Een nieuwe procedure opstarten is zinloos."
"Merci." Prevelde de stervende man.
Dan nam Anatole de dokter zijn hand vast.
"Vous êtes le seul." Zei hij.
"U bent de enige... Die mij als mens behandelde.
Echt waar.
De enige in heel mijn leven.
Alle anderen hebben mij als uitschot behandeld.
Enkel goed om uit te buiten.
Voor eigen profijt."

Het leven van Anatole Honorez was alles behalve rozengeur en maneschijn.
Hij groeide in een weeshuis dat met ijzeren hand geleid werd door Mere Clarisse en haar medezusters.
Samen met de andere weeskinderen moest hij zware arbeid verrichten.
Wanneer hij terugkwam van het dorpsschooltje werd hij samen met de andere weeskinderen meteen aan het werk gezet.
Op zaterdagmiddag en in de vakanties werd er van 's morgens tot 's avonds doorgewerkt.
En wie niet gehoorzaamde of te traag was werd door Mere Clarisse genadeloos afgeranseld met de zweep.
"Les soeurs sont les vrais tyrannes." Zei Anatole moeizaam.
"Echte sadistische teven, dat waren het.
De ergste was niet Mere Clarisse.
Maar dat was Soeur Georgette.
Een kromgebochelde non met een wrat op haar neus en een vreselijk krassende stem.
Als ze alleen was met ons dan ranselde ze ons af en deed ze ons pijn waar ze maar kon.
Maar je moest ze zien kruipen voor 'Moeder Overste'.
"Oui mere superieure, non mere superieure, bien sur mere superieure."
En Mere Clarisse de Moeder Overste die kroop op haar beurt dan weer door het stof voor 'le curé'.
Het simpele kleingeestige dorpspastoortje dat altijd met zijn vermanende vingertje klaarstond en dreigde met hel en verdoemenis.
"Cette la mentalité deja." Zei Anatole hoofdschuddend.
Naar boven likken en naar onderen stampen.

Toen ik twaalf was kwam de dorpspastoor langs.
Ik was te oud om in het weeshuis te blijven, maar er was een landbouwer die een knecht vandoen had.
En 'le curé' had mij in gedachten.
Ik moest met hem mee naar de pastorij waar een man op mij wachtte.
Een grimmige kerel met een bochel, pokdalig gezicht, mond vol rotte tanden, dronkaardsneus en miezerige varkensoogjes.
Hij greep me vast en bekeek mij alsof ik een paard was.
Hij voelde aan mijn armen en benen en trok mijn mond open.
Dan moest ik met hem mee.
Armand was een kleine boer met een gemengd landbouwbedrijf in een naburig dorp.
Hij kweekte koeien en varkens en teelde enkele gewassen.
Ook hij was een tiran.
Nooit heb ik hem gezien zonder zijn stok waarmee hij uithaalde, zelfs naar zijn eigen zoons.
Ik moest in de schuur slapen en at aan een aparte tafel.
Of gewoon in de schuur waar ik sliep.
Ook hier was het hetzelfde.
Ik stond onder de hoede van zijn drie zoons die er plezier in hadden om mij te sarren en vernederen. Maar die door het stof kropen voor hun tirannieke en constant bezopen vader.
Die kroop dan weer door het stof voor de curé, ook daar in het naburige dorp was dat zo'n simpele ziel die alleen maar kon dreigen met het eeuwige hellevuur.
De baas van het dorp was 'le baron'.
Een adellijke grootgrondbezitter die door niemand werd tegengesproken.
Zelfs niet door de curé.
Hij was de enige in de wijde omgeving met een automobiel.
Die bestuurd werd door Edgard, zijn chauffeur.

Op een zondag, ik was veertien.
Ik had honger.
Het enige wat ik die dag te eten kreeg waren enkele sneden oud brood.
Ach, ik was toch maar 'de knecht'.
Daar moet je geen eten aan verspillen.
De boerin was al de hele dag bezig in de keuken met haar twee dochters.
De 'beste plaats' werd extra proper gemaakt en feestelijk opgetuigd.
Want de baron kwam eten.
Armand kwam die morgen dreigend de schuur in.
"Dehors!" Riep hij.
"Scheer je weg! Ik wil je hier van de hele dag niet zien begrepen vuile rat?"
Hij ranselde mij buiten met zijn stok.
Daar liep ik dan door de velden.
Terwijl mijn maag scheurde van de honger.
Maar ik keerde terug.
Ik was niet zinnens om mij te laten uithongeren ter meerdere eer en glorie van die ploert van een 'baron'.
Ik sloop terug naar het woonhuis.
Het keukenvenster stond open.
Ik zag hoe Agnes de boerin een vuurvaste schaal uit de oven haalde.
Met daarop een heerlijke eend die ze wilde aansnijden.
Maar ze werd weggeroepen.
Ik sloeg mijn slag, wipte naar binnen en nam een hele vleugel weg van die éénd.
Ik haastte me naar buiten, ik hoorde haar schreeuwen! "Un voleur, un voleur!"
Ik liep de velden in, in de overtuiging dat niemand me gezien had.
Maar toen ik terug kwam en de deur van de schuur open zette, wachtte Armand mij op.
Ik zag de woede in zijn ogen.
Ditmaal had hij zijn stok niet bij.
Maar zijn tweeloop, die hij op mij richtte.
"Casse toi sale voleur!" Siste hij.
"Si tu montre encore ici, je tes tuer! Tu va compris?"

Toen belandde ik op straat.
Ik.
Een weesjongen.
Zonder geld.
Zonder eten.
Ik zwierf rond.
Trok zuidwaarts, naar de Pyreneeën.
Daar kwam ik terecht bij een groep smokkelaars.
Ik werd al snel één van hen.
Ik werd door hen ingezet om smokkelwaar over de grens te brengen.
Ik was klein, vinnig en snel.
En leerde al snel het bergachtige gebied kennen.
Ik smokkelde cognac en andere likeuren naar Spanje.
En koffie en specerijen naar Frankrijk.
Zo kwam ik al snel in de gunst van 'Le Chef'.
Ik en nog een andere jongen.
Nu was het zo dat de 'Le Chef' zich niet gauw liet zien.
Niemand van ons wist waar hij zich ophield, behalve 'Les Lieutenants'.
Zij gaven de orders door aan de afzonderlijke groepen zoals de groep waar ik toe behoorde.
Een 'Lieutenant' vertelde me dat ik mij samen met Samuel naar Perpignan moest begeven.
Daar woonde een andere 'Lieutenant'.
Die vertelde me dat 'Le Chef' Samuel, mijzelf en nog twee andere jongens had uitverkoren om een nieuwe cel op te starten.
We moesten zelf mannen ronselen die geschikt waren voor deze opdracht.

Toen zag ik Samuel veranderen.
Hij stelde zich op als de leider.
Eerder... Tiran.
Hij regeerde met ijzeren hand over onze cel.
Dit op een manier die me echt niet aanstond.
Hij hield het grootste deel van de opbrengst die voor ons besteld was voor zichzelf en eigende zich allerlei privileges toe.
En behandelde de andere jongens als vuil.
Ik ging daar tegenin.
Ik had die dingen net iets teveel gezien.
Daar zijn harde woorden van gekomen, maar ik was op het punt gekomen dat ik mij niet meer liet commanderen.
En ik kon dat niet zien gebeuren.
Op een dag.
Enkele jongens werden er op uit gestuurd om in Spanje tabak op te halen.
Maar ze liepen in een hinderlaag van de douane.
Twee van hen stierven twee anderen werden opgepakt.
Eén van hen kon ontkomen met twee zakken tabak.
Toen toonde Samuel zich van zijn meest genadeloze en wreedste kant.
Hij bond de jongen die kon ontkomen vast.
Hij beweerde dat die jongen een verrader was.
En dwong hem met bruut geweld tot bekentenissen.
Daarna toen hij uit angst 'bekende'.
Nam Samuel zijn pistool.
En schoot hem tussen zijn twee ogen.
Toen ben ik uitgevlogen.
Ik timmerde op zijn bek.
"Oh mon dieu, je frappe son visage en lambeaux.
Ik sloeg gewoon zijn gezicht aan flarden.
Daarna nam ik al zijn geld, de tabak en alles wat ik maar krijgen kon.
En vluchtte de bergen in.
Diep de bergen in.
Daar waar geen mens kwam.
Daar vond ik een grot.
Waar ik alles verbergen kon.
Behalve een flinke hoeveelheid muntstukken en een stapel bankbiljetten.
En een portie tabak die ik verkopen kon.

Eens de buit veilig was trok ik naar Marseille waar ik hoopte veilig te zijn voor de smokkelaarsbende.
In een plaatselijke krant zag ik een advertentie. "Nous cherchons un bon serviteur. ponctuel, correcte et fiable."
Ik reageerde op die advertentie en zo ging ik aan de slag als knecht bij Monsieur Odilon Lafayette. Een steenrijke rentenier die fortuinen vergaarde in de kolonies, vooral dan in Algerije en Marokko.
Monsieur Lafayette woonde in een oud klein herenhuis in het hart van de stad.
Ik regelde het huishouden, poetste, bereidde zijn maaltijden en maakte alles klaar voor zijn wekelijkse bad.
Monsieur Lafayette was een humeurig en veeleisend man met een grillig en onberekenbaar karakter. Maar toch slaagde ik er snel in om zijn vertrouwen te winnen. Zo betrok hij me alsmaar meer in zijn zaken.
De jaren gingen voorbij en de gezondheid van Monsieur Lafayette ging enorm snel achteruit, zodoende liet hij almaar meer zaken aan mij over, ook het dagelijkse beheer van zijn financiën.
Ik kende de code van zijn brandkast en wist dat daar een schat aan prachtige juwelen in zat, van wijlen zijn echtgenote, zijn moeder en zijn grootmoeder.
Alsook een partij diamanten en staven baar goud.
Wanneer de oude Lafayette voor lange tijd naar een sanatorium in de Alpen moest zag ik mijn kans schoon.
Ik haalde alles uit de kluis en bracht het onder in mijn grot in de Pyreneeën.
De oude Lafayette overleed in het sanatorium en ik had intussen de plaat gepoetst. Ik maakte zijn nabestaanden wijs dat ik dringend de stad uit moest wegens familiale redenen.
Ik keerde nooit naar Marseille weer.
Op vijftien jaar tijd heb ik dit nog drie maar herhaald.
Eenmaal in  Bordeaux, éénmaal in Nantes en in Orleans.
Daar had ik de leiding over de meiden en knechten van een rijke industrieel.
En verdiende er een mooi loon.
Maar er was een jonge eigenwijze knecht en ik had al snel door dat hij door middel van gefleem en vleierij in de gunst van de meester wilde geraken.
Ook probeerde hij mij door uit alle macht zijn vertrouwen te winnen mij om de tuin te leiden.
Hij probeerde mij erin te luizen, ervoor te zorgen dat ik van diefstal beticht zou worden.
Maar hij vergat dat hij met een gast van de straat te doen had.
Ik heb bij die smokkelaars genoeg gezien hoe makkelijk was om iemands vertrouwen te winnen om dat dan te schaden.
Ik ging aan de haal met de inhoud van de brandkast van 'le maitre', maar dat smerige knechtje ging wel lekker de gevangenis in.
De buit werd nooit gevonden en hij ontkende alles, het mocht niet baten. Hij kreeg vijftien jaar.
En de buit die zat in mijn grot.
Maar algauw zou ik mijn grootste slag slaan...


dinsdag 15 augustus 2017

De Klaverhoeve 4


Het is de jaarlijkse kermis in het dorp.
De tricolore vlaggen hangen uit.
Overal in de straten hingen wimpels uit.
De harmonie speelde de vrolijkste deuntjes.
Er kwam een skatepark, vlak bij de kerk.
Op het braakliggende stukje grond dat het kerkhof scheidde van de oude pastorie.
Een eigen plekje voor de dorpsjeugd.
Omgeven door een muur.
Die ze zelf mochten van een eigen kleurtje voorzien.
Joyce had een mooi ontwerp klaar.
Dat in de smaak viel bij de andere jongeren in het dorp.
Elke vrijdagavond, zaterdag en zondag, alsook elke vakantiedag werd er aan gewerkt.
Joyce gaf aanwijzingen.
Al snel bleek dat het meisje een sterk karakter was en de leiding wist te nemen over de andere jongeren.
Die keken erg op naar haar.
Naar haar kunstzinnige talenten.
Naar haar sterke karakter.
En haar intelligentie.
Nu was het werk klaar.
De burgemeester huldigde het skatepark in.
En feliciteerde haar voor haar mooie ontwerp.
Ze keek verlegen weg.
Willem stond naast haar.
Sloeg zijn handen om haar buik.
"Ik ben trots op je meisje," zei hij teder.
"Ge hebt dat heel goed gedaan."
Er stond een podium bij het skatepark.
Een lokaal rockbandje gaf het beste van zichzelf.
Joyce genoot.
Schudde heftig mee met de muziek.
Maar er was iets wat velen opviel.
Terwijl iedereen pintjes dronk.
Hield ze het op cola en spuitwater.
"Moet gij geen pint hebben Joyce?" Vroeg iemand.
"Nee, sorry. Ik heb al meer of genoeg smeerlapperaa gezien in mijn leven door alcohol en drugs.
Ik hou mij daar verre van af."
Na de verbazing kwam het respect.
"Zoals gij Joyce, zo moesten er meer zijn."

De band speelde een traag liedje.
Joyce nam Willems hand.
"ga de mee dansen maatse?" Vroeg ze.
Ze dansten.
Joyce keek hem diep in de ogen.
"Da's toch een schoon koppel eh", zei Gitte een meisje uit het dorp waarmee Joyce het goed vinden kon.
"Joyce is een meiske met een hart van goud.
De Willem is met zijn gat in de boter gevallen," zei Wannes zijn broer.
Ineens fluisterde ze in zijn oor: "Maatse 't jeukt een beetje. Als ge versta wa 'k wil zeggen?"
Willem verstond het maar al te goed.
"Laten we naar huis gaan?"
"Neeje zot! Zo ne schuune zwoele zomeravond.
Dat vraagt toch om het gewoon buiten te doen.
Ik zijn der gereed veure, veur onzen eerste keer.
Lot ons der ietske speciaals van make.

Kom schattebol, ik verlang hier zo hard naar".
Ze nam Willem bij de hand en ze liepen weg van het dorpsplein.
Weg van het kermisgewoel.
Het dorp uit.
Op weg naar De Klaverhoeve lag er een groot maisveld.
Joyce en Willem liepen in het veld.
Daar trok ze haar t-shirt en BH uit en omhelsde ze Willem en begon ze hem te tongzoenen.
En wiegde sensueel met haar heupen terwijl haar handen over zijn rug en kont gleden.
"Khem wree vele goesting nu Willem." Zei ze smekend.
"Leg maa op de grond, trekt mijne broek uit en pak me.
Pakt me gelijk dat ge mij altijd al wilde pakken, als ge 's nachts van mij lag te drome."
Willem tilde haar op legde haar zacht op de grond.
Knoopte haar short los en schoof die naar beneden.
Streelde haar heerlijke poesje.
"Ooooh," kreunde Joyce zachtjes.
"Uw handen zijn zo zalig maatse.
Maar uwe lul... Die is nog waarschijnlijk nog vele zaliger.
En daar verlange kik nu zo hard naar."
"Niet zo ongeduldig meiske," zei Willem die zijn T-shirt uittrok.
"Gewoon efkes genieten nu.
Gewoon efkes genieten."
Hij streelde het kutje van het knappe meisje dat naakt in het maisveld lag, waarna hij haar lekker lang befte.
Daarna kuste hij haar buik terwijl hij haar verder met zijn vingers bevredigde.
Hij likte haar borsten en zoog zacht op haar tepels.
"Is dat niet zalig?" Fluisterde hij in haar oor.
"Ooooh jaaaah mijne lieve schattebol," kreunde ze.
Hij zoende en likte haar prachtige lichaam.
Haar volumptueze borsten.
Haar strakke buik.
En zo naar beneden.
Gaf het meisje opnieuw een lekker lange befbeurt.
"Ooooh, oooooooh, ooooooooh!!!" Kreunde Joyce.
Ze kwam kreunend en schreeuwend klaar.
Daarna drong hij in haar binnen.
Gaf haar een heerlijke beurt.
"Harder maatse, harder!" Smeekte Joyce.
Het was een heerlijke avond.
Een heerlijke windje streelde de mais.
En ook Willems rug.

Ineens...
Voelde hij regendruppels.
Willem hield op.
"Ge hebt toch gene schrik van een beke regen zeker?
Gewoon doorgaan maatse.
Vrijen in de regen dat is 't toch helemaal de max, toch?".
Er klonk gerommel in de verte
"Nee Joyce," zei Willem.
Het onweert.
We moeten veiliger oorden opzoeken.
Hier is het risico op een blikseminslag te groot.
Hij trok zijn broek aan.
Joyce baalde.
"Godverdomme, het was just zo tof nu.
Dat moest de nacht van maan leven worden."
"Dat kan het toch nog altijd schatje", zei Willem terwijl hij zijn meisje dicht tegen zich aantrok.
Kom we gaan naar de schuur.
De regen viel met bakken uit de hemel.
En het waaide.
Het was een hevig onweer.
In het dorp vluchtte iedereen naar huis of naar de twee dorpscafé's
Die ineens stampvol zaten .
Ook Achiel en Gerda zochten de droogte op in Herberg De Vergulde Zwaan.
"Waar zijn Joyce en Willem"? Vroeg hij.
Wannes, Kevin, Thomas en Shana Joyce haar beste vriendin in het dorp kwamen ook de herberg binnen.
Samen met nog een stel uitgeregende jongelui.
"Weten jullie waar Joyce en Willem zijn?" Vroeg Achiel.
"Die", zei Wannes.
"Die zijn rustiger oorden gaan opzoeken.
De vonken sprongen er goed af, ge had ze moeten zien dansen.
Dat is echt wel dikke mik tussen die twee pa."
"Ik hoop dat ze maar zo verstandig zijn om veiliger oorden op te zoeken," zei Achiel.
Intussen liepen Joyce en Willem zich de benen uit hun lijf.
Plots zagen ze een fel licht.
Een bliksem, heel dichtbij.
Ze konden de elektriciteit voelen.
Daarna een enorme knal.
Een vonk, vanuit De Klaverhoeve.
"Fuck!!!" Riep Willem.
"Da's bij ons".
Hij zag vlammen oplichten.
"Godverdomme, de koeienstal!!!"
Willem versnelde, Joyce volgde.
Ze hoorden de koeien loeien, de dieren waren hoorbaar in paniek.
Willen nam zijn GSM, maar die was al te doorweekt.
"Godverdomme, die kan ik al vergeten."
"Joyce, loop snel naar het woongedeelte en bel de brandweer.
En tracht pa of ma te bereiken, rap!"
Joyce liep naar binnen.
Nam de vaste telefoon en belde de brandweer.
Daarna belde ze Achiel op.
Maar die leek zijn GSM niet te horen.
"Allez pakt nu toch oep joengne." foeterde het meisje.
Voicemail ging af.
Joyce hing op en probeerde opnieuw.
Ditmaal nam hij wel op.
"Vader Achiel 't Is Joyce ier!! De bliksem is ingeslagen op de koeienstal. Ge moet sebiet komen.
Joat Vaoder, de pompiers zaan al onderweg!"
Ze hing op.
Ze hoorde het geloei van de koeien.
Liep naar de koeienstal.
"Willem!!!" Riep ze.
"Willem waar zijde maatse!"
Ze zag de koeien in paniek de stal uit rennen.
Maar waar was Willem.
De vlammen sloegen om zich heen.
En dan ineens.
De angst sloeg het meisje om het hart.
Willem lag midden in het gangpad.

"'t Is nie woare.
Vertrappeld deure de koeien"!!!
Ze liep de stal in...
"Willem!!!!" Schreeuwde ze.
"Godverdomme maatse!!!
Wordt wakker maatse.
Laat me nie in de steke nu, komaan."
Ze schreeuwde wanhopig zijn naam.
"WILLEM!!!!"
Ze tilde hem op.
Strompelde met Willem in haar armen naar buiten., wat niet meeviel voor haar.
Want Wiillem was een stevige knaap.
Joyce had moeite om hem vast te houden.
Moest lossen.
Ineens bewoog Willem het hoofd.
"Willem maatse, we moeten hier weg".
"Waar, ben ik," Vroeg hij.
"Sta recht Willem," gebood Joyce.
"We moeten naar buiten.
De vlammen slaan overal om zich heen.
Willem was gelukkig niet ernstig gewond.
Hij kreeg een stamp van een koe en was even buiten westen.
Joyce hielp hem overeind.
"Kom maatse, we moeten het halen.
We goan het halen, uurde dadde!"
De hitte werd ondraaglijk.
De rook verstikkend.
Joyce slaagde erin om Willem in veiligheid te brengen.
"Ik ga rap de boxen van de laatste koeien openen," zei Joyce.
"Nee," zei Willem.
"Het is te laat.
We kunnen niets meer voor die beesten doen,"
Maar Joyce.
Ze was niet te houden.
Ze liep de stal in, de verzengende hitte trotserend.
Opende de deuren, dat het metaal al goed verhit was deerde haar niet.
"Kom beestekes naar buiten, Ju!!!"
Ze joeg de laatste zes runderen naar de uitgang.
De vlammen likte gretig aan alles wat op hun weg lag...

EN TOEN GEBEURDE HET!!!
Willem krabbelde overein en leidde de laatste runderen naar de weide even buiten het erf.
Het bleef ongenadig regenen.
Dan ineens hoorde hij een hels gebulder.
Het dak van de stal stortte in.
Willem draaide zich om.
Hij zag Joyce die zich haastte naar de uitgang.
Het brandende dak...
VIEL MET VOLLE GEWELD OP HET ONGELUKKIGE MEISJE!!!!
Joyce Tempels had geen schijn van kans.
Nog voor ze het doorhad wat er gebeurde.
Viel het brandende dak met gebinte en al op haar, terwijl ze op minder dan een meter van de uitgang stond.
Willem schreeuwde het uit.
"NEEEEEEEEEEEE!!!!!!!" Schreeuwde hij.
Een vuurbal steeg op.
Even later vielen ook de muren neer.
De brandweer reedt het erf op.
Willem viel huilend op zijn knieën.
En staarde als versteend naar de ingestortte koeienstal.

Mensen kunt ge u voorstellen.
Hoe ruw en hartsverscheurend de schreeuw van Willem klonk.
Toen hij zag hoe het brandende dak de ongelukkige Joyce letterlijk vermorzelde.
De toegesnelde brandweerlui begrepen al snel dat er voor hun ogen een diep menselijk en hartverscheurend drama afspeelde.
Ze riepen een ambulance.
De hulpverleners dienden Willem een verdovend middel toe en hij werd gewikkeld in aluminiumfolie naar de ambulance gebrand.
Dan kwamen ook Achiel en zijn echtgenote Gerda toe, een politieagent lichtte hen in over wat er gebeurd is.
De schok kwam voor het echtpaar Gijsbrechts hard aan.
Alsook voor de andere bewoners die niet lang daarna arriveerden.
Achiel staarde naar de smeulende resten van de koeienstal.
"Joyce, godverdomme.
Meiske toch.
Jongske toch".
Hij huilde.
Iedereen die rond hem stond kende hem, als een nukkige koppige geharde boer.
Nooit zagen ze ze hem huilen.
Nu wel.
Hij schudde het hoofd terwijl de tranen over zijn wangen rolden.
Ook Gerda stond bitter te schreien.
Ondersteund door haar jongste zoon Wannes.
Politie en gerecht kwamen ter plaatse.
Pas in de vroege ochtend, toen de brandweerlui er zeker van waren dat alle vuur geblust was en dus niet meer kon opflakkeren.
Kon men het verkoolde lichaam van het ongelukkige meisje bergen.
De wetsdokter onderzocht haar stoffelijk overschot in een tent naast de stal waar rechercheurs en agenten bleven af en aan lopen.
"Schedel verbrijzeld", zei hij.
"Ze heeft amper iets gevoeld.
Het was meteen voorbij.
Maar toch.
Zonde van zo'n jong en beloftevol meisje."

De schok in het dorp was groot.
Niemand kon het geloven.
De avond voordien was Joyce nog in hun midden.
Lachend.
Gelukkig.
Dansend met haar grote liefde Willem.
Haar mooie blauwe ogen straalden.
Ze genoot van de eer die haar toekwam na de inhuldiging van het skatepark en de mooi beschilderde muur.
Die nu eeuwig aan haar herinneren zou.
En de ochtend daarop.
Was ze er niet meer.
Haar vele vrienden verzamelden bij het skatepark.
Legde bloemen neer bij de muur.
Haar muur.
Lieten hun tranen de vrije loop.
Maar ook de volwassenen waren onder de indruk van wat er afgelopen nacht gebeurde in De Klaverhoeve. Het gebeuren werd druk besproken in de café's en in het kleine buurtwinkeltje.
"Kunt ge da nu geloven?" Zeiden ze.
"Dat meiske kwam hier helemaal op haar plooi.
Had eindelijk richting gegeven aan haar leven.
En dan ineens... Is ze weg."
"Ja, mompelde Gust die het winkeltje al meer dan veertig jaar draaiende hield. "Het leven is niet eerlijk hé. Het leven is godverdomme niet eerlijk."

Een week later zat de kerk afgeladen vol.
Om afscheid te nemen van Joyce Tempels.
Mensen schoven aan, passeerden aan de witte kist waarin ze lag.
Leden van de hondenvereniging waar Joyce samen met Sultan lid van was vormden een erehaag samen met hun honden toen de kist in de kerk werd binnengedragen.
Ook haar moeder was aanwezig.
"Het spijt me meiske," zei ze zacht, terwijl ze voor de kist stond.
"Dat ik je nooit datgene gaf waar je zo naar verlangde.
Een warm nest.
Bij Achiel Gijsbrechts had je dat wel gevonden.
Waarde gij gelukkig.
't Spijt me"...
Daarna trok ze zich terug.
Verliet na de offerande de kerk.
Met gebogen hoofd.
Willem was totaal van de kaart.
Rouwde om zijn meisje.
Het eerste meisje dat hij ooit heeft gehad.
Met wie hij voor het eerst intiem was.
Hij huilde met lange diepe halen terwijl de kist zacht in het graf neerdaalde.
Gerda sloeg haar arm om de rug van haar oudste zoon.
Terwijl de tranen ook over haar wangen liepen.

Joyce.
Die lieve hartverwarmende meid.
Ze wilde maar één ding.
Gelukkig zijn.
Liefde krijgen.
Liefde die ze teruggaf
Aan haar pleegouders;
En vooral aan Willem.
Liefde had ze ook voor de dieren op de boerderij.
Die ze met liefde verzorgde.
De lieve oude Beau.
De jonge spring in 't veld Sultan.
De koeien die ze wilde redden van de vuurdood.
Welks ze met haar jonge leven moest bekopen.
Een week voor haar zeventiende verjaardag eindigde het voor Joyce Tempels, brutaal en onverwacht.
Ze liet allen die van haar hielden wezenloos achter.
In bittere tranen en onwezenlijk verdriet.
Willem zat op het plekje waar hij zo vaak had gezeten met haar.
Uitkijkend op de velden, en het woonhuis.
Hij staarde naar de hemel.
Met tranen in de ogen.
Shana kwam bij hem zitten.
Met haar was Joyce bevriend geraakt toen ze in De Klaverhoeve woonde.
Een volks meisje uit het dorp dat in dezelfde school zat en samen met de groep naar school fietste en terug.
"Gij hebt haar geiren gezien hé." zei Shana terwijl ze hem aankeek.
Willem zweeg, slikte even.
"Ze heeft me laten kennis maken met de liefde," zei hij.
"We fantaseerden samen.
Over samen trouwen en dan de hoeve overnemen.
En vaders werk verder zetten."
"Zoudt ge dat willen?" Vroeg Shana?
"Jonge gasten een thuis geven."
"Ja," zei Willem.
"Joyce zou dat zeker gewild hebben.
En die zou met die gasten kunnen klappen hebben, want ze had het allemaal zelf meegemaakt."
Shana nam Willem's hand vast.
"Laten wij het doen," zei ze.
"Wij twee.
Ik weet dat ge er nu nog niet klaar voor zijt.
Dat ge tijd nodig hebt om de dood van Joyce te verwerken.
Maar... "
Willem sloeg zijn arm rond Shana's middel.
"Merci," zei hij.
"Merci dat gij d'er zijt voor mij.
Laten we d'er gewoon zijn voor mekaar.
Joyce zou dat zo gewild hebben."
Shana legde haar hoofd tegen Willem's schouder.
Ze zeiden geen woord.
Keken naar de ondergaande zon.
En deelden hun verdriet.
Hun verdriet om Joyce.


maandag 14 augustus 2017

De Klaverhoeve 3



Een jaar ging voorbij.
Joyce bloeide helemaal open in De Klaverhoeve.
Een meisje zo hard geraakt door het leven.
Vond rust.
Regelmaat.
En NESTWARMTE!
Zo kwam er een heel andere kant in haar naar boven.
Een rustige, poëtische en kunstzinnige kant.
Een zachte kant
Dromerig keek ze 's avonds naar de ondergaande zon.
Terwijl Beau haar kop op haar been legde.
Het ooit zo rusteloze meisje.
Vond zichzelf terug.
Maar ook tussen haar en Willem, de oudste zoon van het gezin Gijsbrechts onstond een heel innige band.
Maar het meisje was erg breekbaar.
Had nood aan structuur, houvast en vooral VEEL LIEFDE!
Trok zich elke avond terug in de schuur samen met die lieve Beau.
En dat baarde Achiel erg veel zorgen.
Want Beau werd oud en alsmaar zwakker.
Het arme dier kon amper nog lopen.
Sleepte zich letterlijk voort.
Het ware beter dat het arme dier uit haar lijden verlost werd.
Maar hij dacht aan Joyce.
"Zal dit meisje dit verlies wel aankunnen?" Vroeg hij zich af.
's Avonds bij het avondmaal begon hij er voorzichtig over.
"Mannekes," zei hij
"Het gaat niet goed met ons Beau.
Ze wordt oud.
Kan niet meer lopen.
Het zal beter zijn... Als we haar een spuitje geven."
Achiel keek naar Joyce.
Het meisje zuchtte diep.
"Misschien is het beter zo.
Beau'ke ziet zo af Vader Achiel.
Gisteren moest ik haar naar de schuur dragen. 't Beest kon niet meer stappen."
Joyce huilde zacht.
Maar leek zich toch kranig te houden.
"Beau'ke heeft een schoon leven gehad," zei ze.
"Mag ik er bij zijn als ze een spuitje krijgt?
Ik wil afscheid nemen.
Bij haar zijn als ze aan haar laatste reis begint.
Beau'ke betekende veel voor mij.
Meer dan de meeste mensen die ik in mijn leven ontmoette.
Behalve jullie dan."

Achiel stemde in.
Zelf wilde hij er liever niet bij zijn.
Hij was een harde koppige boer.
Maar met een zachte binnenkant.
Hij hield veel van zijn lieve Duitse Herder.
Had het er moeilijk mee dat het dier zo aftakelde.
Diep vanbinnen vrat het verdriet hem op.
Maar hij voelde zich te trots om het te tonen.
Toen de dierenarts diezelfde avond kwam om Beau te laten inslapen.
Zat hij in de keuken.
Tranen liepen over zijn wangen.
Intussen zaten de rest van het gezin en de pleegkinderen in de schuur.
Waar ze afscheid nemen van Beau.
Eén voor één aaiden ze het lieve dier over haar kop.
Het leek wel dat ze wist dat haar einde naderde.
Ze legde haar kop tussen haar voorpoten.
Leek zich in haar lot te berusten.
Joyce ging op haar hurken zitten.
"Beau'ke," zei ze zacht.
De oude hond piepte zachtjes.
Hief haar kop op
Joyce liet het dier haar kop rusten op haar been.
Streelde zacht haar kop en hals.
"Rustig maar Beau'ke.
We gaan u geen pijn doen.
We gaan u doen slapen.
Ge gaat lang slapen,"
Dan diende de dierenarts de injecties toe.
Beau legde haar kop te rusten.
Met tranen in de ogen voelde Joyce hoe die lieve Beau haar laatste adem uitblies.
Dan legde ze het dier neer waarna de dierenarts haar in een plastiek zak stopte die hij dan dichtritste.
Joyce liet haar hoofd zakken tegen Willem's schouder en barstte in diepe snikken uit.
Willem streelde zacht door haar haren en gaf haar een zoentje op haar voorhoofd.

Beau werd begraven achter de koeienstal.
Willem nam een boomstronk en kliefde die met de bijl in twee, en dan nog eens.
Waarna Joyce met een mes de naam van Beau er heel kunstig in kerfde.
Daarna werd de stronk op het graf van Beau geplaatst, waarna Joyce er ook nog een zelfgemaakt bloemstuk naast legde.
Vader Achiel stond achter Joyce en Willem.
"Schoon gedaan jongelui.
Nee echt.
Ik zien da geire, dat jonge gasten zoals gijle nog jullie tijd in iets steken."
Hij gaf hen allebei een schouderklopje en boog dan het hoofd bij het graf van zijn trouwe hond.
"Komt gijlen nekeer mee," zij hij dan ineens.
Joyce en Willem volgden Achiel. Hij liep naar zijn auto, een oude aftandse pick-up truck.
"Doe nekeer één van de achterportieren open," droeg hij Joyce op.
Het meisje deed het. Achter op de zetel die bedekt was met oude kranten zat een kleine Duitse Herder puppy.
"Mooooooooooh!!!!" riep Joyce vertederd.
"Ezo'n schatteke!" 
Ze tilde het dier op en begon het meteen te knuffelen.
"Geen boerderij zonder waakhond," zei Achiel.
"Ik wil dat gij en Willem voor dit manneke zorgen.
Ja 't is een manneke.
En ge moogt zelf de naam kiezen."
Joyce dacht even na.
"Sultan!" zei ze plots.
"Da's ne schuune naam voor nen hond.""Goed dan," zei Vader Achiel.
Welkom op De Klaverhoeve kleine Sultan.

Weer gingen de maanden voorbij.
Sultan groeide als kool en werd de chouchou van de jongelui die opgroeiden op De Klaverhoeve.
Maar het was vooral Joyce die met het dier bezig was.
Ze leerde hem allerlei kunstjes en al snel kende hij heel wat bevelen.
Op een zondagmiddag.
Albert Gijsbrechts de broer van Achiel kwam op bezoek.
Hij is een echte hondenkenner.
Lesgever in een hondenschool en organiseerde wedstrijden in 'gehoorzaamheid', 'Agility' en andere disciplines in de hondensport. Tevens was hij voor zijn pensioen agent en later zelfs instructeur bij de hondenbrigade van de politie.
"Is dat dat meiske dat ge vorig jaar onder uw hoede hebt genomen?" vroeg hij. "Die Joyce Tempels."
Achiel knikte.
"En zeggen dat onze collega's in Gent zeiden dat dat een vogel voor de kat was.
Dat er niks van dat jong terecht zou komen.
Voor galg en rad zoals dat heet."
"Onzin," zei Achiel.
"Geen enkel kind is verloren.
Ik neem al heel mijn leven kinderen op, net zoals ons vader en grootvader dat deden.
En die zijn allemaal goed terecht gekomen."
"Achiel jongen," zei Albert.
"Dat waren andere tijden hé.
Den dag van vandaag is 't allemaal zo simpel niemeer zulle.
Met al dienen drugs.
En al die andere verleidingen.
Ge moogt er niet meer mee doen wat ge wilt ook hoor.
Ze kennen beter hun rechten als wij."
"Albert luistert," zei Achiel.
"De tijden veranderen, maar de mensen niet.
De mensen, en zeker jonge mensen hebben nood aan structuur.
Een houvast.
Hier is dat altijd al geweest.
Discipline, regelmaat, samenwerking, en vooral... Nestwarmte.
Daar hebben jonge gasten altijd al nood aan gehad.
En daar gaan ze altijd nood aan blijven hebben.
Hier maken we tijd voor die gasten.
Hoe druk het ook moge zijn op de boerderij.
Daar zit het probleem den dag van vandaag.
Ouders steken geen tijd meer in hun kinderen."
Albert knikte, moest toegeven dat...
Zijn broer in deze ZO HARD GELIJK HAD!"

"Maar zeg nekeer. Waarom laat ge ze niet meedoen met wedstrijden.
Uwe Sultan gaat prijzen winnen.
En dat gaat Joyce haar eigenwaarde een stevige boost geven."
"Milledjieje!" Mompelde Achiel.
"Daar zegt ge nog iets."
Achiel sprak er over met Joyce en Willem en ze waren allebei enthousiast.
Ze leerden de kleine dappere Sultan allerlei bevelen aan, en oefenden met hem in het schapen drijven.
De jonge leergierige Sultan had het allemaal snel onder de knie.
Over enkele maanden was er een zeer belangrijke wedstrijd in het naburige dorp, en Achiel wilde dat Joyce met Sultan zou meedoen.
Dus werd er zeer gedreven getraind met de schapen.
Joyce gaf het beste van zichzelf en wist het beste uit de jonge Sultan te halen.
Achiel geloofde erg hard in zijn jonge protegé en zijn leergierige herdershond.
Dan brak de dag van de wedstrijd aan.
De eerste manche deden Joyce en Sultan het voortreffelijk.
Zelfs de eigenaars van de meer ervaren herdershonden keken waren verbluft.
Dan wachtte Joyce op de halve finale.
Een man kwam naderbij. Groot, kaal, tatoeages, stierennek, grimmige blik.
Joyce herkende hem.
"Wat doede gij hiere godverdomse kluutzak?" dacht ze bij zichzelf.
"Ierse doarse," zei de man grijnzend.
"Maan stiefdochtere begot. En nog altijd even toppezot van honden hé."
"Wat is 't"?
Vroeg Joyce. "Heb 'k iets van u aan misschiens?"
"Ik wil mor ien dieng tegen aa zegge loetse!
"Tegen ons gode nie winne zulle!"
"Ons?" Vroeg Joyce.
"Doede gij ook mee misschiens?"
"Joak! Khem nen nieuwen hond. Een topperke.
En daor gone kik veel prijzengeld mee opstrijke.
En gaa go maa nie tegenhaawe wete da?
Bastoardsjoenk!"
Joyce wierp haar stiefvader een giftige blik toe.
"Kom Sultan, lot ons aangenoamer gezelschap opzuuke!" zei ze terwijl ze hem een zachte por in de zij gaf.

Dan was het haar beurt.
De zenuwen gierden door haar lichaam.
"En dan nu de eerste kandidate voor de halve finale, juffrouw Joyce Tempels!" Klonk het door de luidsprekers.
Joyce liep het terrein op.
Enkele drijvers joegen de schapen het terrein op, Sultan trok hijgend aan zijn leiband.
"Rustig moatse!" Fluisterde ze zacht.
Dan weerklonk het startsein. Joyce liet Sultan los en het dier liep meteen naar de schapen toe.
Net toen Joyce hem aanwijzingen wilde geven in de vorm van korte bevelen leek hij ineens terug te deinzen.
Of hij aarzelde.
"Wat es me dadde nu?" dacht ze.
Willem stond in het publiek.
Zag een grote kale man met stierennek en tatoeages.
Hij had een laserpen in de hand.
Hij keek even goed, leek wel of hij de enige was die het in de gaten had.
Ja hoor.
Hij richtte de pen op Sultan.
"Godverdomse klootzak!" foeterde hij.
Dan gaf hij hem een por.
"Hey gast! waar zijde gij mee bezig?"
"Wat is 't probleem moatse?" Reageerde de man giftig.
Willem rukte de laserpen uit zijn handen.
Greep de man bij zijn kraag.
"Wat zijt gij daarmee van plan? Hé?
Klootzak!"
De man gaf Willem een slag in het aangezicht!
Willem viel achterover.
Maar Wannes was er ook nog.
En ook Kevin, Tom en Jason.
Ze snelden Willem ter hulp.
"Ey wilde gij mijn broer nekeer gerust laten stuk crapuul dat ge zijt!" riep Wannes.
De pezige Kevin duwde de man tegen de dranghekkens.
Twee politieagenten kwamen op het tumult af.
"Wat is dat hier?" vroegen ze.
"Die gast viel mijn broer lastig!" Zei Wannes.
"En wilde Joyce saboteren!" Riep Kevin. "Kijk hier, een laserpen.
Fucking lowlife, chance dat die flikken er zijn of ik sloeg u in de kliniek.
Weet ge dat!" Sneerde hij giftig naar de man!
"Zozo meneer Decanck wat hebt u hier op te zeggen?" Vroeg de agent!
"Laten we er maar eens de organisatie bij halen, want dit lijkt me wel een ernstige reden voor diskwalificatie! Of niet soms?"
En zo geschiedde.
"Guido Decanck de stiefvader van Joyce, de man die ooit zijn eigen hond brutaal om het leven bracht omdat het dier haar wilde beschermen tegen zijn agressie, werd gediskwalificeerd.
Tevens kwamen mensen zich beklagen over het feit dat een kale man zijn hond nogal bruut behandelde. Zeg maar mishandelde.
"Wilt u even meekomen naar het bureau meneer Decanck?" Vroegen de agenten streng.
De wedstrijd werd overgedaan en Joyce bereikte de finale, waar ze helaas de duimen moest leggen tegen een beter getalenteerde hond met een meer ervaren meester.
Maar dat kon de vreugde niet temperen.
Joyce was vooral Willem en de andere jongens heel dankbaar.
"Dankzij ulder heeft diene klootzak van ne stiefpa zijne verdiende loon gehad."

Die avond lag ze samen met Willem in de schuur.
Het was herfst.
De wind woei door de scheuren en de regen roffelde op het dak.
Sultan speelde in het hooi, wat grappig was om zien.
Joyce had zich in Willems schoot genesteld.
"Ksien u geire maatse!" zei ze met een tedere blik in haar ogen.
"Ik u ook lieverd," antwoordde Willem.
Hij keek haar in de ogen.
Ze drukte haar lippen tegen de zijne en woelde door zijn haren.
Willem liet haar begaan en streelde zacht haar rug.
Dan legde hij haar in het hooi en ging bovenop haar liggen.
Hij trok haar sweater omhoog en streelde haar blote buik.
Zijn vingers gleden over het knoopje van haar broek.
"Wat zijde gij van plan maatse?" vroeg Joyce.
Willem lachte ondeugend.
"Wat denkt ge?" Vroeg hij.
"Is da nie een beetse te vroeg?" vroeg ze met haar typische Gentse accent.
"Kweenie?" Zei Willem.
"Ik ben zot van u Joyce.
Zo zot van u."
"Ik merk het," zei Joyce.
"Maar...
Ik vind het nog een beteke te vroeg maatse.
Snapte."
Willem keek haar aan met een ietwat trieste blik.
"Ge zijt toch nie kwaad?"
"Nee," zei hij.
"Ik mocht zo egoïstisch niet zijn," reageerde hij.
"Sorry Joyce."
"Ey, maatse!" zei Joyce.
"D'er is niemand die zegt dadde gij nen egoïst zijt hé.
Da's normaal da gij verlangens hebt.
Ik hem die uuk zulle.
Mor... "

Joyce zweeg.
Trok Willem dichter.
"Als 'k er gereed voor zijn, dan laat ik het u weten is 't goe?"Willem keek haar aan.
"Daar twijfel ik niet aan... Loetse!" Zei Willem die Joyce haar Gents nu ook al een beetje onder de knie begon te krijgen.







zaterdag 12 augustus 2017

De Klaverhoeve 2


Het was 5u 's morgens.
Joyce stond in de koeienstal.
Ze moest de koeienmest opruimen.
Deze met een grote schop oppakken en in de kruiwagen deponeren.
U begrijpt beste lezer, daar was ze niet graag bij.
Met een lang gezicht schepte ze de mest op haar schop.
En met een kwak gooide ze het in de kruiwagen.
"Godverdoeme," dacht ze bij zichzelf.
"Dienen ouwen boer denkt toch niet da 'k da goan blijven doen zekers? Tons is tem verkeerd zulle."
Maar dan hoorde ze de hengsels van het slot schuiven.
De deur ging open.
Achiel Gijsbrechts kwam kijken hoe zijn nieuwe pleegkind het deed.
Een week verbleef ze nu al op De Klaverhoeve.
Maar Achiel legde er direct de pees op.
Maakte haar meteen duidelijk aan welke regels ze zich moest houden.
1 Meehelpen op de boerderij.
2 Helpen in het huishouden.
3 Om 5u opstaan en ten laatste om 20u in bed.
4 Absoluut geen alcohol, tabak of andere genotsmiddelen, en al zeker geen drugs.
5 Op zondag naar de mis.
6 Geen GSM, tablet, laptop of dergelijke in de slaapkamer.
7 Maximum één uur per dag TV, op vrijdag en zaterdagavond mogen dat er twee zijn, als het werk tenminste gedaan is.
Voor Joyce was dit echt wel wennen.
Structuur, discipline, helpen in het huishouden.
Ze baalde.
Dit liet ze merken door zich in volstrekt stilzwijgen te hullen.
Achiel liet haar begaan.
Hij had ervaring zat met dergelijk gedrag.
"Gewoon volhouden en niet teveel compassie hebben," zo zei hij.
"Dan draaien ze het vlugst van al bij".
Net had ze alle mest opgekuist.
Of één van de runderen liet opnieuw iets vallen.
Woedend gooide ze de spade in een hoek.
"Die beesten peinzen toch nie da 'k hier heel den dag ga zitten scheppen zekers?" Schreeuwde Joyce terwijl ze naar het deurgat liep.
Maar Achiel hield haar tegen.
"Hola mamzel, waar denkt ge naartoe te gaan?"
"Laat me door ouwe, ik ben het hier stinkende beu in diene smerige stal."
"Dan geen ontbijt voor jou jongedame", zei Achiel vastbesloten.
"Ewel!!!" Riep Joyce.
"Dan krepeer kik mor van den honger, 't kan mij allemaal geen kluute niemeer schele weteda!"
Ze liep de stal uit, naar de schuur.
Daar wierp ze zich in het hooi
Nam een hoop hooi en gooide die in het rond.
"Godverdoeme!" Schreeuwde het meisje.

Beau, de oude Duitse Herder die al 12 jaar trouw het erf bewaakte liep op haar slome tempo de schuur in.
Ging naast Joyce in het hooi liggen.
Legde haar snuit op Joyce haar rechterarm.
Likte zacht haar tranen weg.
"Gij zijt een lieveke," fluisterde Joyce.
"Gij zijt d'enige die mij verstaat in heel dat strontkot iere, weteda."
Ze aaide zacht de kop van het oude dier.
Beau piepte zachtjes.
Alsof ze zeggen wou: "Rustig maar meisje, ik ben er voor je."
Zo lagen ze samen stil in het hooi daar in de oude schuur.
Achiel stond in de ingang en aanschouwde zwijgend het tafereel.
Zo ging het wel vaker.
Als de rebelse Joyce met de oude boer of anderen een aanvaring had.
Of op een andere manier zich niet lekker in haar vel voelde.
Ging ze naar de schuur, waar die lieve Beau haar gezelschap kwam houden.
Zo ontstond er een mooie band tussen die twee.
Joyce Tempels een losgeslagen tienermeisje en Beau de oude trouwe hond van Achiel Gijsbrechts.
Geen vreemdeling kwam op het erf wanneer zij dat niet wilde.
Maar voor de jonge gasten die de boer en boerin liefdevol opvingen toonde het trouwe dier al haar liefde en genegenheid.

Maar er was nog iemand die enige genegenheid koesterde voor de jonge Joyce.
Dat was Willem, de oudste zoon van het gezin.
Willem was een fijngevoelige jongen met een zachte inborst.
Ook hij liep naar de schuur, waar Joyce en Beau nog altijd stil in het hooi lagen.
"Klapt gij nekeer met da meiske," zei Achiel tegen zijn oudste zoon.
"Probeert haar een beetje op haar gemak te stellen.
Da jongske heeft het moeilijk, ik zie dat.
Ze zit helemaal met zichzelf in de knoop."
Hij gaf zijn oudste zoon een schouderklopje en keek hem vaderlijk aan.
Stil liep Willem de schuur in, en hurkte op de plaats waar Joyce en Beau lagen.
Hij aaide de hond zacht over haar kop en legde zijn hand op die van Joyce.
Hij gaf haar een zakdoek.
"Hier droog uw tranen meiske", zei hij.
"Merci," fluisterde Joyce zacht.
"Merci maat, echt.
Da's lief."
"Waarom zijt ge zo overstuur?" Vroeg Willem.
"Als het niet gaat moogt ge altijd hulp vragen hoor.
Ik had je wel komen helpen met het kuisen van de stallen hoor.
En Wannes ook.
Ge moet niet alles alleen doen hé, dat zeggen we nu ook niet.
Ge moet gewoon verstaan dat als ge samen leeft op een boerderij, dat iedereen moet helpen.
Dan wordt zelfs het zwaarste werk een stuk lichter."
Joyce zweeg.
Keek Willem aan.
"Allez kom," zei Willem
"Gaan we samen verder de stal kuisen.
Des te rapper kunt ge ontbijten.
Het is zaterdag dus geen school, dus we moeten ons niet haasten,"
Joyce krabbelde overeind.
Samen begonnen ze eraan.
In nog geen kwartier was de stal kraaknet.
Willem begon Joyce wat te plagen.
Joyce deed mee.
Het werd een plezante boel.
Beau kwam meespelen.
Even later gingen ze naar binnen.
Beau bleef liggen.
"Mag Beau niet binnen in het woonhuis"? Vroeg Joyce.
"Jawel?" zei Willem.
"Maar ze wil niet.
Ze voelt zich liever thuis buiten.
Vroeger toen ze jonger was deed ze niets liever dan rennen door de velden.
En de vossen verjagen.
Geen vos moest het wagen om te dicht bij het erf te komen."
Joyce en Willem gingen samen aan tafel.
Aten verse eitjes van de kippen en zelfgebakken brood.
Het meisje at met smaak.
Een blos verscheen op haar wangen.
Ergens beviel het haar best op de klaverhoeve.
Zo gingen de weken voorbij.
Langzaam leek Joyce te ontdooien.
Een heel andere kant van Joyce kwam naar boven.
Een zachte en zorgzame kant.
Vooral naar de dieren toe.
Ze genoot ervan de kippen te voeren.
De koeien naar de weide te leiden en de paarden te borstelen.
Ze deed het met een lieve glimlach op haar lippen.
Ja het ging snel.
Sneller dan Achiel Gijsbrechts had verwacht.
Het rustige leven op de boerderij deed het meisje meer dan deugd.
Ze fleurde op.

Dan werd het zomer.
Veel werk op de boerderij.
Maar ook mooi weer.
Dollen in de weide met Willem, Wannes en met Kevin, Tom en Jason.
Drie andere jongens die onder voogdij van Achiel Gijsbrechts stonden.
Joyce was het enige meisje.
Maar ze stond haar mannetje tussen die plagende jongens.
Maar vooral.
Ze had dat heerlijke gevoel van zo graag gezien te zijn.
Aanvaard te worden.
Dat heerlijke gevoel van nestwarmte.
Als ze samen met hen aan tafel zat.
Op een warme zomeravond.
Joyce leunde tegen de houten omheining van de weide waar de prachtige Brabantse trekpaarden stonden te grazen.
Ze had een schetsboek bij zich.
En zat geconcentreerd te tekenen.
Af en toe hief ze haar hoofd op.
En nam notities van het oude woonhuis.
Dat deels met klimop begroeid was.
En met de stallingen, met verweerde licht afbladderende groene poorten.
Willem kwam naderbij.
Zag haar zitten, haar goudblonde lokken die blonken in de ondergaande zon.
"Mooie tekening," zei hij vol belangstelling.
Joyce borg snel haar schetsboek op.
"Waarom doe je dat Joyce?" Vroeg Willem.
Ge moet uw talent hier niet wegstoppen hoor.
Mag ik eens zien"?
Joyce haalde haar schetsboek terug boven.
"Sorry," zei ze.
"Het is sterker dan mezelf.
Ons ma kon nie verdragen da 'k tekende.
Ze heeft al dikwijls tekeningen van mij voor mijn ogen verscheurd."
Een traan rolde over haar wangen.
"Letterlijk verscheurd Willem."
Willem ging naast haar zitten.
Legde zijn arm rond haar hals.
"Onze boerderij... Schoon Joyce.
Nee echt, ik meen het.
Dit is gewoon knap!"
"Ach," zei ze zacht.
"Het kon beter.
Die lijnen zijn een beetje scheef.
Beetje de bibber,"
"Dat geeft niet.
Een beetje imperfectie vind ik best knap...
Waarom deed je moeder dat?
Je tekeningen verscheuren?"
Joyce zweeg.
Zuchtte diep.
"Ons ma, die kon mij nie verdrage.
Ik was... Ongewenst.
Ik moest als klein boeleke altijd in mijn park zitten.
Mijn eten, kreeg ik in mijn park.
Schij... Allez mijn gevoeg doen.
In  het park.
Ik hoor haar nog roepe.
'Smerig schijtjoenk, gij mocht nooit gebore zijn gij'.
Toen ik ouder werd... "
Joyce huilde.
Willem begreep.

Ook Beau kwam aangelopen.
Op haar duizende gemakken.
"Kijk eens, ons Beau'ke komt u troosten;" zei Willem.
Joyce sloeg zacht met haar hand op haar dij.
"Kom meisje, toe kom maar," riep Joyce naar de oude hond.
Beau nestelde zich naast Joyce.
Willem zag de vertederde blik van Joyce toen ze de hond zacht streelde.
"Ik vind het zo mooi hoe jij en Beau het zo goed met elkaar kunnen vinden.
Die band tussen jullie.
Je blik die zo zacht wordt als je met haar omgaat.
Toen ik dat voor het eerst zag.
Die harde, opstandige meid die zich niet wilde laten temmen.
En dan zo zacht en teder met onze oude Beau omging.
Dat raakte me Joyce.
Echt.
Dat raakte me,"
Joyce legde haar hand in de zijne.
"Mijne stiefpa had ook zo'n hond.
Helemaal dezelfde als Beau.
Het was ook een teefje.
Hij kwam er op een avond mee binnen, het was nog een puppy.
Ik was toen een jaar of vijf.
Kunt ge 't u voorstellen?
Ik een klein meisje.
Met zo'n kleine grappige speelse puppy.
Ons moeder liet ons begaan.
"Als ze met dienen hond speelt hoor kik eur nie", zei ze dan.
We groeiden samen op.
Shelby en ik.
Intussen vloog mijne stiefpa in den bak.
Voor zware feiten.
Hij had een meiske verkracht.
Kunt ge 't u voorstellen wa 'k te horen kreeg op school?
'Uwe pa is ne vuile verkrachter'.
Niemand wilde iets met mij te maken hebben.
Ik was de pispaal van de klas.
Mijn ma die me negeerde.
Ik had maar één iemand waar ik me geborgen bij kon voelen.
Ons Shelby.
5 jaar later, ik was toen tien jaar oud.
Mijn stiefpa kwam vrij.
Maar Shelby herkende hem niet meer.
Toen hij dicht bij mij kwam begon ze te grollen.
Toen... Is mijn stiefpa doorgeslagen."

Tranen rolden over Joyce haar wangen.
Wat Joyce toen vertelde.
Ging echt door merg en been.
Willem huiverde ervan.
"Mijn stiefpa greep mij vast.
Hij beweerde dat ik die hond had opgemaakt tegen hem.
Niet meer of Shelby viel hem aan.
Maar ja, mijn stiefpa was een reus van een vent.
Hij smeet die hond op de grond.
Gaf haar een schop.
Ik hoor haar nog altijd kajieten.
Dan nam hij een tang.
En begon het ongelukkige dier haar tanden uit te trekken.
Dat gekerm Willem.
Dat vergeet ik nooit meer.
Ik begon te huilen.
Hij sloeg die tang tegen mijn gezicht.
"As 'k eu nog huure kriepe dan trek ik a tanden uuk uit!!!" schreeuwde hij.
Ik zat in een hoekske van de keuken.
Met mijn handen voor mijn ogen.
Da gekerm.
Van ons Shelby.
Dat bloed, overal.
Daarna trok hij haar bij eur nekvel naar de koer.
En daar... "
Joyce haar adem stokte.
Willem drukte haar hoofdje tegen zijn borst.
"Rustig maar meiske," zei hij.
Haal efkes adem.
"Toen," ging Joyce verder.
"Pakte mijne stiefpa ne schup.
En hij heeft ons Shelby...
DOODGESLAGEN!"
Joyce huilde.
Met lange diepe snikken.
Het meisje was totaal van de kaart.
Maar ook Willen kon zijn ogen niet drooghouden.
Het verhaal van Joyce en haar lieve trouwe Shelby greep hem naar de keel.
Willem is een gevoelige jongen.
Zeker dierenleed kon hij niet verdragen.
Hij had het er stiekem moeilijk mee dat de dieren van de boerderij soms naar het slachthuis moesten.
En hij was er liever niet bij als vader eigenhandig een rund of varken slachtte.
"Willem," zei Joyce.
"Gij zijt den eerste aan wie ik dat vertel.
Echt waar.
Zelfs aan de gasten waarmee ik dagen en nachtenlang mee op straat rondhing, vertelde ik dit niet.
Daar kon 'k goe mee zeveren ja.
En rottigheid mee uithalen.
Maar een gesprek zoals dit.
Gij zijt den eerste waarmee ik dat echt kon doen.
Omdat 'k u vertrouw.
Echt vertrouw.
Da meen ik maat."
"Dat weet ik wel Joyce," zei Willem.
"Dat voel ik.
Gij hebt veel meegemaakt hé.
Teveel voor iemand die maar een jaar jonger is dan ik."
"Da's waar," zei Joyce.
"Al diegenen bij wie ik mij geborgen moest voelen.
Hebben mij vernederd, misbruikt, genegeerd en de huid volgescholden.
Mijn ma moest nikske van mij weten.
Mijn pa is het afgebold, door ons ma dat dan weer wel.
Mijn stiefpa kon niet met mijn poten van mij blijven.
Mij heeft hij niet verkracht, dat niet.
Maar ik moest wel naakt op zijn schoot liggen, zijne flieter bloot.
Ik weet nog dat hij zei: "Maske nu zijde nog wat klein.
Maar d'er komt een dag dat ge gaat voelen hoe plezant dees dingske wel kan zijn,"
Hij heeft er nooit de kans toe gehad.
Maar diene leraar van turnen wel.
Ik had het wat uitgehangen in de turnles.
Hij riep mij apart.
"Ik wil me u nekeer een woordje klappen," zei hij.
En toen de anderen gasten weg waren.
Nam hij me apart in de kleedkamer.
Hij duwde me tegen de muur, trok mijn turnbroek naar beneden.
En verkrachtte me.
"Niemand gaat zo'n leugenachtig tegendraads wicht gelijk gij geloven," zei hij,"
En zo ging het maar door.
Ik kon nergens terecht.
Hier Willem.
Voel ik me voor het eerst echt op mijn gemak.
Echt geborgen.
En weet ge wat?
DA'S ZO ZALIG GEVOEL MAAT!!!! ZO'N ZALIG GEVOEL!!!"